**1..** Voorzieningen worden ingesteld en opgeheven op grond van een besluit van Gedeputeerde Staten.
**2..** In het voorstel tot instellen van een voorziening wordt ingegaan op:
het doel en de functie van de voorziening;
de categorie waartoe de voorziening behoort;
de noodzaak van de voorziening;
de gewenste of noodzakelijke omvang van de voorziening, voor elke voorziening dient een financiële onderbouwing aanwezig te zijn. Bij een voorziening wegens oninbaarheid wordt dit gedaan op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen;
de eventuele inflatiecorrectie toerekening;
zo mogelijk het plafond;
zo mogelijk de duur van de voorziening;
bij cyclisch onderhoud: de omvang en de wijze van dotaties en bestedingen inclusief onderbouwing daarvan, bijvoorbeeld op basis van een meerjarenplanning, beheer of onderhoudsplannen.
**3..** Als voor een dotatie aan een voorziening een verschuiving van middelen tussen programma's en/of een beslag op de algemene middelen nodig is zal deze ter besluitvorming aan Provinciale Staten moeten worden voorgelegd.
**4..** Bij het opheffen van voorzieningen worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
een voorziening dient te worden opgeheven als de verplichting (risico) waarvoor de voorziening is gevormd, is ingelost of op een andere wijze ophoudt te bestaan.
wanneer een voorziening wordt opgeheven valt het saldo vrij ten gunste van de algemene middelen.
**5..** Provinciale Staten worden via de P&C-cyclus geïnformeerd over besluiten tot instelling of opheffing van een voorziening.
Hoofdstuk 3.
Artikel 12.