Om de hoogte van een boete te bepalen houdt het college als volgt rekening met de draagkracht van betrokkene. De draagkracht geeft hiertoe aanleiding als het totaalbedrag van de boete hoger zou worden dan:
24 maanden maal het inkomen boven de niet gecorrigeerde beslagvrije voet als sprake is van opzet;
18 maanden maal het inkomen boven de niet gecorrigeerde beslagvrije voet als sprake is van grove schuld;
12 maanden maal het inkomen boven de niet gecorrigeerde beslagvrije voet als geen sprake is van opzet, grove schuld of verminderde verwijtbaarheid;
6 maanden maal het inkomen boven de niet gecorrigeerde beslagvrije voet als sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
In afwijking van het voorgaande lid wordt het aantal maanden bij een herhaalde gedraging (recidive) verhoogd met factor 1,5.
De niet gecorrigeerde beslagvrije voet is 90% van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm.
Voor kostendelers is de niet gecorrigeerde beslagvrije voet in afwijking van het voorgaande lid ten behoeve van de berekening van een boete 90% van de kostendelersnorm.
Het vermogen van belanghebbende wordt betrokken bij de vaststelling van de draagkracht als de schending van de inlichtingenplicht bestaat uit het verzwijgen van vermogen.
Artikel 2
Fictieve draagkracht
Onderdeel van Beleidsregel boeteoplegging Participatiewet, IOAW en IOAZ 2017