Naar hoofdinhoud

Artikel 1.

Begripsbepalingen

Onderdeel van ERFGOEDVERORDENING GEMEENTE EDE 2017

In beginsel gelden de wettelijke definities uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet onverkort voor de begrippen die gebruikt worden in deze verordening, nu deze verordening berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en derhalve in samenhang met de Erfgoedwet moet worden gelezen. Artikel 1 van deze verordening bevat daarom uitsluitend begrippen waarvan de definitie moet worden omschreven en die niet reeds (in deze vorm) in artikel 1.1 van de Erfgoedwet zijn gegeven. Sub b Met het begrip ‘gemeentelijk monument’ is aansluiting gezocht bij de Erfgoedwet. Deze stelt in artikel 3.1. dat een (rijks-)monument kan worden aangewezen als het van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde. Daaraan is toegevoegd dat het algemeen belang van een gemeentelijk monument enkel van toepassing hoeft te zijn op gemeentelijk schaalniveau. Het betreft in alle gevallen een onroerende zaak of terrein. Tot de onroerende zaken horen ook ‘aard- en nagelvaste’ onderdelen, zoals kerkorgels of schouwen, en andere zaken die ‘naar de verkeersopvatting’ onderdeel van de onroerende zaak uitmaken, zoals bijvoorbeeld wandbespanningen, schakelmateriaal, hang- en sluitwerk of diverse liturgische elementen. Het begrip ‘terreinen’ dient ruim te worden uitgelegd. Het kan gaan om locaties met een bepaalde waardevolle (groene) aanleg, zoals parken, tuinen, of erven met een of meer bomen, maar kan ook locaties betreffen waar archeologische waarden in de bodem (kunnen) zitten. In de systematiek van de verordening wordt een onroerende zaak, overeenkomstig hetgeen gebruikelijk is, altijd als geheel als beschermd gemeentelijk monument aangewezen. Het feit dat niet alle onroerende onderdelen van het interieur expliciet in een redengevende omschrijving (kunnen) worden vermeld, maakt dit niet anders. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State brengt dit met zich mee dat een interieur dezelfde bescherming deelachtig is als het monument waartoe dit behoort. Wel kan uit de redengevende omschrijving blijken welke onderdelen ervan om welke reden meer of minder monumentwaardig worden geacht. Roerende zaken vallen buiten de werking van de Erfgoedverordening. Wel wordt, aansluitend bij de Erfgoedwet, erkend dat er sprake kan zijn van een waardevolle samenhang tussen onroerende en roerende zaken, zoals tussen een gebouw, zijn inventaris, de (groene) omgeving en de ondergrond. Een bekend voorbeeld hiervan, met een grote ruimtelijke en functionele verwevenheid is het landgoed of de buitenplaats. Voor archeologie geldt dat onder dit begrip wel zaken kunnen worden gerekend, die naar hun aard roerend zijn. Tot het archeologisch terrein horen immers alle zaken die zich in het terrein (in de bodem) bevinden en die tot het monument behoren zolang er geen sprake is van een opgraving van de betreffende zaken. Volgens vaste jurisprudentie is niet het kadastrale perceel de grondslag voor de bescherming van wat zich daarop bevindt, maar is enkel beschermd wat als zelfstandige eenheid wordt genoemd in de redengevende omschrijving. Het is eveneens vaste jurisprudentie dat een aanwijzing als gemeentelijk monument bij uitstek het instrument is dat een college ter beschikking staat om de monumentale waarden van een onroerende zaak of terrein op lange termijn te waarborgen. Overig De voor deze verordening relevante begrippen uit de Erfgoedwet zijn: cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden; kerkelijk monument: monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging; monument: onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; normaal onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde; rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister; rijksmonumentenregister: register als bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet;

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel