Het college kan de vergunning onverminderd het bepaalde in artikel 8, derde lid, wijzigen of intrekken, indien:
de leidingexploitant niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning, behoudens eventuele andere afspraken op grond van artikel 8 lid 2 onder k, de werkzaamheden als omschreven in de vergunning is begonnen;
de leidingexploitant géén actie onderneemt binnen de in de aanzegging gestelde termijn, als bedoeld in artikel 15 lid 3 van deze verordening.
de leidingexploitant de exploitatie en het beheer en onderhoud van de leiding gedurende een aaneengesloten periode van ten minste zes maanden staakt dan wel de leiding anderszins gedurende een periode van ten minste zes maanden niet in gebruik is en niet is onderhouden;
blijkt dat de vergunning op basis van onjuiste of onvolledige gegevens is verleend;
de leidingexploitant het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de vergunningvoorschriften niet naleeft;
na het verlenen van de vergunning naar het oordeel van het college gegronde aanleiding bestaat te veronderstellen dat het van kracht blijven van de vergunning onaanvaardbare schadelijke gevolgen heeft voor mens, natuur of milieu en hieraan door het stellen van nadere voorschriften en beperkingen aan de verleende vergunning niet kan worden tegemoetgekomen;
dit noodzakelijk is vanwege de uitvoering van werken.
Hoofdstuk
Artikel 9