De ambtenaar kan ontslag worden verleend:
op aanvraag, met inachtneming van artikel B.10;
wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, met inachtneming van artikel B.11;
wegens reorganisatie, met inachtneming van artikel B.12;
indien hij, naar het oordeel van gedeputeerde staten, na afloop van een periode waarin hij krachtens artikel 125c van de Ambtenarenwet tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn functie, niet in een passende functie herplaatst kan worden;
indien hij, naar het oordeel van gedeputeerde staten, na afloop van het hem krachtens artikel D.15 verleend langdurig buitengewoon verlof, niet in een passende functie herplaatst kan worden;
wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, met inachtneming van artikel E.9;
wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie uit andere hoofde dan genoemd onder f;
wegens het verlies van een vereiste bij aanstelling, tenzij het vereiste alleen bij aanvaarding van de functie geldt;
wegens staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;
wegens toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;
wegens een onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf of tot terbeschikkingstelling;
wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens bij of in verband met indiensttreding of keuring, zonder welke handelwijze niet tot aanstelling of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld;
als disciplinaire straf, met inachtneming van artikel G.4;
wegens het niet meewerken aan re-integratie ingeval van ongeschiktheid ten gevolge van ziekte zijn arbeid te verrichten of wegens het niet aanvragen van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), met inachtneming van artikel E.15;
op andere dan de in dit artikel genoemde gronden.
HOOFDSTUK B › Paragraaf 3
Artikel B.9