**1..** De noodzakelijke omvang van de oninbare vorderingen zoals bedoeld in artikel 14 van de Financiële verordening 2017 wordt vastgesteld door een bepaald percentage – afhankelijk van de ouderdom van de openstaande vorderingen – hiervan als oninbaar te beschouwen. Hierbij wordt er bij de openstaande posten vanuit gegaan dat:
vorderingen op openbare lichamen buiten beschouwing blijven van deze berekening mits expliciet duidelijk is dat de vordering niet meer zal worden ontvangen;
oninbare vorderingen buiten beschouwing blijven van deze berekening en voor 100% als oninbaar beschouwd moeten worden;
gebruik gemaakt gaat worden van de volgende berekeningssystematiek waarbij de afwijking ten opzichte van het voorgaande jaar marginaal is:
Ouderdom
Percentage oninbaar
< 6 maanden
2,5%
6-12 maanden
10%
1-2 jaar
75%
3-4 jaar
90%
4-5 jaar
100%
> 5 jaar
100%
**2..** Voor openstaande posten die groter zijn dan € 2.500 vindt er nog een individuele toetsing plaats op basis waarvan het percentage aangepast kan worden aan de werkelijke inningsverwachting.
Hoofdstuk 4
Artikel 4