Een aanbieder is verplicht om bij de aanleg van kabels in
openbare gronden zoveel mogelijk (mede)gebruik te maken van
bestaande, hetzij door andere aanbieders dan wel door of in
opdracht van het college aangelegde voorzieningen.
Het vooroverleg als bedoeld in artikel 2, tweede lid, dan wel
een door het college geëntameerd overleg naar aanleiding van een
melding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, is er mede op
gericht te bepalen of en zo ja langs welke delen van het tracé
gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als
bedoeld in het eerste lid.
Indien de aanbieder een redelijk aanbod wordt gedaan om gebruik
te maken van de vooraangelegde voorzieningen, zoals
mantelbuizen, kabelgoten, of kabel- en leidingentunnels, is de
aanbieder verplicht om voor de aanleg of uitbreiding van zijn
netwerk van deze voorzieningen gebruik te maken.
Indien de openbare gronden geen ruimte bieden voor de aanleg van
nieuwe kabels, dient de aanbieder een alternatief tracé te
kiezen, of aan andere aanbieders een billijk verzoek tot
medegebruik van kabels te doen, op grond van artikel 5.12, van de wet.
De wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud, verplaatsing en
opruiming van kabels en medegebruik van voorzieningen geschiedt
conform het ‘Handboek Kabels en Leidingen’ van de gemeente
Leusden.
Hoofdstuk
Artikel 8