In de Wmo 2015 (art 2.3.6 lid 2) en de Jeugdwet ( art 8.1.1 lid 4) worden drie voorwaarden beschreven.
Het PGB wordt verstrekt als:
**a..** een cliënt, jeugdige of ouder naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde in staat is de aan een PGB verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
**b..** een cliënt, jeugdige of ouder zich op het standpunt stelt dat hij de maatwerk-, of individuele voorziening als PGB geleverd wenst te krijgen, voor voorzieningen vanuit de Jeugdwet geldt dat de cliënt de inzet van een PGB motiveert;
**c..** naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de ondersteuning van goede kwaliteit is en bijdraagt aan het beoogde resultaat. Het gaat er dan om dat de ondersteuning veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verstrekt.
Verder is in de Jeugdwet is opgenomen dat voor alle vormen van jeugdhulp in principe een PGB ingezet kan worden. Wanneer een gecertificeerde instelling die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert ten aanzien van de betreffende jeugdige bepaalt dat jeugdhulp noodzakelijk is, kan die jeugdhulp ook via een PGB worden ingezet. De uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kan niet door middel van een PGB uitgevoerd worden.