Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 1.1

Definities

Onderdeel van NOTA ACTIVA EN AFSCHRIJVINGEN 2017 GEMEENTE NIEUWKOOP

1. Activa: de bezittingen van de gemeente. Deze worden ingedeeld in vlottende activa en vaste activa. 2. Activeren: het opnemen van investeringen op de balans. De waarde van de vaste activa wordt bij het vermogen van de gemeente geteld. De jaarlijkse kosten worden in de toekomst ten laste van de exploitatie gebracht, dit zijn de kapitaallasten. 3. Afschrijven: een boekhoudkundige weergave van de waardevermindering van activa wegens technische slijtage en economische veroudering. Het af te schijven bedrag hangt af van de economische levensduur van de investering. De afschrijvingen zijn onderdeel van de kapitaallasten. De meest voorkomende afschrijvingsmethoden zijn lineaire afschrijving en annuïtaire afschrijving. 4. Agio/disagio: agio is het verschil tussen het bedrag waarvoor een lening wordt aangegaan en het bedrag dat aan de geldnemer wordt uitgekeerd. Agio kan ook te maken hebben met aandelen. Als de prijs, of koers, van een aandeel hoger is dan de nominale waarde dan is sprake van agio (het verschil tussen die twee). Disagio is het tegengestelde van agio. 5. Annuïtaire afschrijvingsmethode: een afschrijvingsmethode waarbij de kapitaallasten jaarlijks gelijk zijn gedurende de gehele economische levensduur van de investering. In de beginjaren is de afschrijvingscomponent laag en de rentecomponent hoog. Aan het eind ligt deze verhouding andersom. 6. Boekwaarde: waarde van de activa op de balans. Dit is de verkrijgings- of vervaardigingsprijs verminderd met de afschrijvingen. 7. Boekwinst: als het actief wordt verkocht tegen een prijs die hoger is dan de resterende boekwaarde op het moment van verkoop. 8. Economische levensduur: de maximale periode waarin een productiemiddel economisch verantwoord kan worden gebruikt. Er komen nieuwe machines op de markt waarin de jongste technische kennis is verwerkt. De economische levensduur wordt bepaald door rationeel en doelmatig gebruik rekening houdend met technologische ontwikkelingen. 9. Financiële vaste activa: een groep van activa die een financiële waarde of bezit vertegenwoordigen (bijvoorbeeld deelnemingen en aandelen). 10. Immateriële vaste activa: investeringsuitgaven waar geen gemeentelijke bezittingen tegenover staan. Dit zijn die activa die niet stoffelijk van aard zijn en die niet onder de financiële vaste activa worden begrepen (bijvoorbeeld kosten sluiten geldleningen en kosten van onderzoek en ontwikkeling). 11. Investeren: het aanschaffen of zelf produceren van activa. Hierbij is het de bedoeling de activa meer jaren te gebruiken. 12. Investering: een uitgave van enige omvang, waarvan het nut zich over meer jaren uitstrekt. Onderscheid wordt gemaakt tussen investeringen met een economisch nut en investeringen met een maatschappelijk nut. 13. Investering met economisch nut: activa die kunnen bijdragen aan het genereren van middelen, bijvoorbeeld door het vragen van rechten, heffingen, leges of prijzen of die verhandelbaar zijn, zoals gebouwen. Deze investeringen moeten worden geactiveerd. 14. Investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut: activa die geen mogelijkheid hebben middelen te genereren maar wel duidelijk een publieke taak vervullen zoals wegen, groenvoorziening, bruggen e.d. 15. Investeringskrediet: bedrag dat door de gemeenteraad is beschikbaar gesteld voor het doen van een investering. 16. Kapitaallasten: dit zijn de jaarlijks terugkerende lasten die samenhangen met de investeringen. De kapitaallasten bestaan uit afschrijvingen en rente. 17. Levensduur verlengende investeringen: dit zijn investeringen die worden gepleegd ten behoeve van een bestaand actief en expliciet leiden tot een substantiële levensduurverlenging van het betreffend actief. 18. Lineaire afschrijvingsmethode: een afschrijvingsmethode waarbij de kapitaallasten jaarlijks dalen. De afschrijvingscomponent is jaarlijks gelijk. Als gevolg van een daling van de boekwaarde neemt de jaarlijkse rentelast af. 19. Materiële vaste activa: dit zijn investeringsuitgaven waar bezittingen tegenover staan van stoffelijke aard, waarvan de gebruiksduur gedurende meer jaren kan worden toegepast. 20. Nieuwe of uitbreidingsinvesteringen: dit zijn investeringen ten behoeve van de ontwikkeling van nieuwe activiteiten of uitbreiding van de huidige activiteiten 21. Rente: een vergoeding voor het beslag dat de boekwaarde van een investering legt op de financieringsmiddelen van de gemeente.2 22. Restwaarde: vertegenwoordigt de schatting van de opbrengstwaarde aan het eind van de economische levensduur tegen het huidige prijspeil, verminderd met de te maken kosten voor verwijdering of vernietiging van (delen van) het actief. 23. Technische levensduur: het aantal jaren dat een actief daadwerkelijk meegaat, voordat het technisch versleten is. 24. Vaste activa: de bezittingen van de gemeente waarvan het daarvoor benodigde vermogen voor een periode langer dan een jaar is vastgelegd. Voorbeelden hiervan zijn gronden, gebouwen en inventaris. De vaste activa worden verder verdeeld in: Immateriële vaste activa, Materiële vaste activa en Financiële vaste activa. 25. Verkrijgingsprijs: het bedrag dat is betaald om activa aan te schaffen (de inkoopprijs en de bijkomende kosten). 26. Vervaardigingsprijs: de kosten die gemaakt zijn ten behoeve van het intern vervaardigen van een actief. 27. Vervangingsinvestering: het vervangen van een actief waarvan de technische of economische levensduur is verstreken. 28. Vlottende activa: de bezittingen van de gemeente waarvan het daarvoor benodigde vermogen voor een periode korter dan een jaar is vastgelegd. Binnen een jaar moeten de vlottende activa zijn omgezet in geld. 29. Voorraden: dit zijn goederen die je in bewaring houdt voor later gebruik. In de BBV is het volgende onderscheid opgenomen: grond- en hulpstoffen, onderhanden werk, waaronder bouwgronden in exploitatie, gereed product en handelsgoederen, vooruitbetalingen.

Rechtspraak bij dit artikel