De volgende categorieën gevallen aan te wijzen waarin een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist:
2.1. Indien door de raad al een stedenbouwkundige visie, stedenbouwkundige randvoorwaarden, masterplan, gebiedsvisie, projectplan of vergelijkbaar ruimtelijk kader is vastgesteld en de activiteit past binnen dat kader;
2.2. Ingeval van het realiseren van maximaal vijf woningen in bestaand stedelijk gebied, niet behorend tot een bedrijventerrein;
2.3. In bestaand stedelijk gebied, niet behorend tot een bedrijventerrein, ingeval van:
a. het realiseren of uitbreiden van een gebouw ten behoeve van detailhandel, een kantoor- en/of horecafunctie;
b. het realiseren of uitbreiden van een bedrijfsgebouw ten behoeve van een bedrijf behorend tot de milieucategorie I of II uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’;
c. het wijzigen van het gebruik van gronden, niet ten behoeve van bouwen;
2.4. In bestaand stedelijk gebied, ingeval van het realiseren van maatschappelijke voorzieningen of voorzieningen ten behoeve van sport met een maximale oppervlakte van de bebouwing van 1.500 m2, daarbij inbegrepen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en de activiteit in overeenstemming is met rijks- en provinciaal beleid;
2.5. Op een bedrijventerrein, ingeval van:
a. het realiseren of uitbreiden van een bouwwerk ten behoeve van een bedrijf behorend tot de milieucategorie II of III uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’, mits de betreffende milieucategorie op dat bedrijventerrein al planologisch toegestaan is;
b. het realiseren of uitbreiden van een bouwwerk ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen, voorzieningen voor het openbaar vervoer en het wegverkeer;
2.6. In het buitengebied, ingeval van:
a. activiteiten voor de beleidsthema’s uit de gebiedsvisie ‘buitengebied in ontwikkeling’;
b. het bouwen van bedrijfsgebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde bij een bestaand agrarisch bedrijf buiten het bestaande agrarisch bouwvlak;
voor zover deze activiteiten niet strijdig zijn met de provinciale algemene regels;
2.7. Bij een dringende behoefte, ingeval een nieuw bestemmingsplan in voorbereiding is maar nog niet in ontwerp ter inzage is gelegd;
2.8. Ingeval op voorhand duidelijk is dat de aanvraag van een omgevingsvergunning op andere gronden dan planologische geweigerd moet worden en de aanvrager niet heeft verzocht om een omgevingsvergunning voor de onderdelen waarvoor die niet hoeft te worden geweigerd;
2.9. Ingeval de ontwerpverklaring van geen bedenkingen ter inzage heeft gelegen en er door belanghebbenden geen zienswijzen zijn ingediend;
Voornoemde categorieën 2.1 tot en met 2.9 slechts te laten gelden voor zover het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag is;
2.10. het realiseren van flexwoningen binnen de kaders van het ‘Actieplan woningbouw’ voor de duur van maximaal 15 jaar, door een toegelaten instelling op grond van de Woningwet.