Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit nadere regels maatschappelijke ondersteuning
2017 gemeente Venray.
Bijlage 1. Doelstelling, criteria en normstelling begeleiding.
Onderdeel A. Begeleiding
Begeleiding is gericht op het bevorderen, het behoud of het compenseren van zelfredzaamheid van de cliënt. De begeleiding is bedoeld voor cliënten die zonder deze begeleiding zouden moeten verblijven in een instelling of zouden verwaarlozen.
De cliënt kan zijn aangewezen op begeleiding in de vorm van individuele begeleiding of groepsbegeleiding. Zie bladzijde 19 voor de beschrijving van het onderscheid tussen individuele begeleiding en groepsbegeleiding.
Het bevorderen, behouden of compenseren van zelfredzaamheid
Bij zelfredzaamheid in relatie tot de maatwerkvoorziening begeleiding gaat het om de lichamelijke, cognitieve en psychische mogelijkheden die de cliënt in staat stellen om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren. In de eerste plaats kan het gaan om het compenseren en actief herstellen van het beperkte of afwezige regelvermogen van de cliënt, waardoor hij onvoldoende of geen regie over het eigen leven kan voeren. Het gaat dan om zaken als het helpen plannen van activiteiten, regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het structureren van de dag. De grens tussen de persoonsgebonden sociale omgeving en participatie is niet altijd scherp te trekken. Daarom is voor cliënten binnen de voorziening begeleiding ook ondersteuning mogelijk in de vorm van het stimuleren tot en het voorbereiden van gesprekken met instanties op het terrein van wonen, school, werk, enzovoort.. In de tweede plaats kan begeleiding de vorm aannemen van praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren of het eventueel ondersteunen bij het oefenen van handelingen/vaardigheden die zelfredzaamheid tot doel hebben.
Indicatiecriteria
Om in aanmerking te komen voor de maatwerkvoorziening begeleiding moet zijn vastgesteld dat de cliënt matige tot zware beperkingen heeft op een of meer van de volgende vijf terreinen:
1. sociale redzaamheid;
2. bewegen en verplaatsen;
3. psychisch functioneren;
4. oriëntatiestoornissen;
5. probleemgedrag.
1. Bij sociale redzaamheid gaat het om de volgende aspecten:
- begrijpen wat anderen zeggen;
- een gesprek voeren;
- zich begrijpelijk maken;
- initiëren en uitvoeren eenvoudige taken;
- kunnen lezen, schrijven en rekenen;
- communicatiehulpmiddel gebruiken;
- dagelijkse bezigheden;
- problemen oplossen en besluiten nemen;
- dagelijkse routine regelen;
- zelf geld beheren;
- initiëren en uitvoeren complexere taken;
- zelf administratie zaken bijhouden.
Lichte beperkingen houden dan in dat de cliënt lichte problemen heeft met de dagelijkse routine en met het uitvoeren van vooral complexere activiteiten. Met enige stimulans en/of toezicht is hij in staat zijn sociale leven zelfstandig vorm te geven, aankopen te doen en zijn geld te beheren. Wat betreft het aangaan en onderhouden van sociale relaties, op school, op het werk, met het sociale netwerk, is er met praten bij te sturen: vanuit gezin, het sociale netwerk en/of school. De cliënt kan zelf om hulp vragen en er is geen noodzaak tot het daadwerkelijk overnemen van taken. Ook kan cliënt verwezen worden naar een algemene voorziening en kan nazorg en/of het sociaal wijkteam hierin een rol spelen. Indien sprake is van toezicht met het oog op de organisatie van het huishouden in het kader van hulp bij het huishouden dan kan de maatwerkvoorziening begeleiding light ingezet worden. Zie ook de omschrijving van het begrip begeleiding light in artikel 1 van dit Besluit.
Matige beperkingen houden dan in dat het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme) voor de cliënt niet vanzelfsprekend zijn. Dit levert af en toe zodanige problemen op dat de cliënt afhankelijk is van hulp. De communicatie gaat niet altijd vanzelf doordat de cliënt soms niet goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf soms niet voldoende begrijpelijk kan maken. Het niet inzetten van begeleiding kan leiden tot verwaarlozing/opname.
Zware beperkingen houden dan in dat complexe taken voor de cliënt moeten worden overgenomen. Ook het uitvoeren van eenvoudige taken en communiceren gaan moeizaam. De cliënt kan niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen, hij kan steeds minder activiteiten zelfstandig uitvoeren. De zelfredzaamheid wordt problematisch. Voor de dagstructuur en het voeren van de regie is de cliënt afhankelijk van de hulp van anderen.
2. Bewegen en verplaatsen
Bij zich bewegen en verplaatsen gaat het om de volgende aspecten:
- lichaamspositie handhaven;
- grove hand- en armbewegingen maken;
- fijne handbewegingen maken;
- lichtere voorwerpen tillen;
- gecoördineerde bewegingen maken met benen en voeten;
- lichaamspositie veranderen;
- trap op en af gaan zonder hulp(middelen);
- zich verplaatsen met hulp(middelen);
- voortbewegen binnenshuis, zonder hulp(middelen);
- gebruik maken van openbaar vervoer;
- eigen vervoermiddel gebruiken;
- voortbewegen buitenshuis zonder hulp(middelen);
- korte afstanden lopen;
- zwaardere voorwerpen tillen.
Lichte beperkingen houden dan in dat de cliënt niet meer zelf kan fietsen of autorijden en zich buitenshuis niet meer zonder hulpmiddel (bijvoorbeeld een rollator) kan voortbewegen. Met het gebruik van hulpmiddelen kan er nog veel, maar niet alles. Daarnaast kan de cliënt geen zware voorwerpen tillen. Het optillen van lichte voorwerpen levert soms problemen op, maar met wat hulp en eenvoudige aanpassingen lukt dit nog wel. De cliënt kan de genoemde beperkingen in voldoende mate compenseren door hulp uit de omgeving en zo nodig door de inzet van hulp bij het huishouden en/of andere maatwerkvoorzieningen.
Matige beperkingen houden dan in dat het zelfstandig opstaan uit een stoel en gaan zitten soms problemen oplevert. Fijne handbewegingen worden minder vanzelfsprekend, maar ook de grove hand- en armbewegingen beginnen problemen te geven. De cliënt kan zich, ook met behulp van een rollator of rolstoel, moeilijker zelfstandig verplaatsen. Openbaar vervoer is eigenlijk ontoegankelijk voor de cliënt geworden, maar vanuit eigen middelen of de Wmo zijn hiervoor alternatieven mogelijk.
Zware beperkingen houden dan in dat bij het opstaan uit een stoel, het gaan zitten en het in en uit bed komen de cliënt volledig moet worden geholpen. Binnenshuis is de cliënt voor zijn verplaatsingen zowel naar een andere verdieping of gelijkvloers volledig afhankelijk van hulpmiddelen. Voor het oppakken of vasthouden van lichte voorwerpen is hulp nodig. Ondanks het gebruik van hulpmiddelen kan de cliënt de beperkingen onvoldoende compenseren in het dagelijks leven.
3. Psychisch functioneren
Bij psychisch functioneren gaat het om de volgende aspecten:
- concentratie;
- geheugen en denken;
- perceptie van omgeving.
Lichte beperkingen houden dan in dat de cliënt lichte problemen heeft met concentreren, geheugen en denken. De oorzaak kan in verschillende problemen liggen, zoals lichte sociaal-emotionele instabiliteit, stemmingsproblemen, of prikkelgevoeligheid. De concentratie en/of capaciteit tot informatieverwerking laat af en toe te wensen over. Met hulpmiddelen en enige aansturing is de zelfredzaamheid van de cliënt voldoende te ondersteunen. Er is geen noodzaak tot het overnemen van taken.
Matige beperkingen houden dan in dat de cliënt vaak zodanige problemen heeft met de concentratie en informatieverwerking dat hiervoor hulp noodzakelijk is. Als er niet met regelmaat deskundige hulp wordt geboden, ervaart de cliënt in het dagelijks leven problemen bij de zelfredzaamheid.
Zware beperkingen houden dan in dat de cliënt ernstige problemen heeft met de concentratie, het geheugen en denken en ook de waarneming van de omgeving. Hierdoor is volledige overname van taken door een deskundige professional noodzakelijk
4. Oriëntatiestoornissen
Bij oriëntatiestoornissen gaat het om de volgende aspecten:
- oriëntatie in persoon;
- oriëntatie in ruimte;
- oriëntatie in tijd;
- oriëntatie naar plaats.
Lichte beperkingen houden dan in dat de cliënt lichte problemen heeft met het besef van tijd en/of plaats. Het herkennen van personen en de omgeving levert geen problemen op. De problemen doen zich af en toe voor en de cliënt kan zich zelfstandig redden met hulp vanuit zijn netwerk. De beperkingen vormen geen bedreiging voor zijn zelfredzaamheid, want de cliënt kan veel taken op basis van 'gewoonte' zelfstandig uitvoeren.
Matige beperkingen houden dan in dat de cliënt problemen heeft met het herkennen van personen en zijn omgeving. De zelfredzaamheid van de cliënt staat onder druk. De cliënt heeft vaak hulp nodig van anderen bij het uitvoeren van taken en het vasthouden van een normaal dagritme. Als er geen deskundige begeleiding wordt geboden, verslechtert de situatie van de cliënt.
Zware beperkingen houden dan in dat de cliënt ernstige problemen vertoont in het herkennen van personen en van zijn omgeving. Hij is gedesoriënteerd en zijn zelfredzaamheid is aangetast. Ondersteuning bij dagstructurering en bij het uitvoeren van taken is noodzakelijk, ook is het overnemen van taken aan de orde. Als er geen deskundige begeleiding geboden wordt, is opname het enige alternatief.
Indicatiecriteria voor oefenen
In geval van het oefenen (zie overzicht activiteiten begeleiding) moet bovendien zijn vastgesteld:
- dat de cliënt gemotiveerd en leerbaar is om te oefenen en trainbaar is;
- dat het oefenen programmatisch en doelmatig plaatsvindt;
- en/of dat de mantelzorg in de directe omgeving en/of de gebruikelijke zorger van de cliënt gemotiveerd en leerbaar is om te oefenen en trainbaar is.
5. Gedragsproblemen
Bij gedragsproblemen gaat het om de volgende aspecten:
- destructief gedrag (gericht op zichzelf en/of de ander, zowel letterlijk als figuurlijk);
- dwangmatig gedrag;
- lichamelijk agressief gedrag;
- manipulatief gedrag;
- verbaal agressief gedrag;
- zelfverwondend of zelfbeschadigend gedrag;
- grensoverschrijdend seksueel gedrag.
Lichte beperkingen houden dan in dat de cliënt lichte gedragsproblemen vertoont die bijsturing vereisen, maar geen directe of acute belemmering vormen voor de zelfredzaamheid. Het vertoonde gedrag kan relatief eenvoudig worden bijgestuurd door de omgeving van de cliënt, het gezin en/of de school. Bijsturing is voldoende zonder dat de overname noodzakelijk is. Ook hierbij kan een algemene voorziening, nazorg en/of het sociaal wijkteam een rol spelen.
Matige beperkingen houden dan in dat de cliënt gedrag vertoont dat bijsturing en soms (gedeeltelijke) overname van taken vereist. Het cliëntsysteem kan slechts gedeeltelijk in debijsturing van de cliënt voorzien. Het vertoonde gedrag vereist bijsturing door een deskundige professional. Als er geen deskundige bijsturing wordt geboden, verslechtert de situatie van de cliënt.
Zware beperkingen houden dan in dat de cliënt ernstig probleemgedrag vertoont en hierdoor ontstaan zelfredzaamheidproblemen. Er is deskundige professionele sturing nodig om het gedrag in goede banen te leiden. Omdat er risico's zijn voor veiligheid van de cliënt of zijn omgeving is er continu hulp of begeleiding nodig.
Overzichtactiviteiten begeleiding.
1. Het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur, c.q. het voeren van regie.
- hulp bij initiëren of compenseren van eenvoudige of complexe taken, besluiten nemen en gevolgen daarvan wegen;
- regelen van randvoorwaarden op het gebied van wonen, onderwijs, werk, inkomen,
- iets kopen/betalen, het stimuleren tot en voorbereiden van een gesprek met dit
type instanties * (dit betreft niet het meegaan naar/aanwezig zijn bij het gesprek);
- hulp bij plannen, stimuleren en voorbespreken van activiteiten;
- hulp bij initiëren of compenseren van op/bijstellen van dag/weekplanning; dagelijkse routine **;
- inzicht geven in (mogelijke) gevolgen van besluiten;
- hulp bij zich aan regels/afspraken houden, corrigeren van besluiten of gedrag.
Deze activiteit richt zich met name op de beperkingen en stoornissen in de sociale redzaamheid,
oriëntatiestoornissen, probleemgedrag en psychosociale functies.
2. Het ondersteunen bij praktische vaardigheden/ handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid.
- hulp bij uitvoeren of overnemen van eenvoudige of complexe taken/activiteiten, of bij oplossen van praktische problemen die buiten de dagelijkse routine vallen;
- hulp bij uitvoeren van vaardigheden die geleerd zijn tijdens AWBZ/Wlz- of GGZbehandeling, zoals sociale vaardigheden ***;
- hulp bij het beheren van (huishoud)geld;
- hulp bij de administratie (alleen in de zin van oefenen);
- hulp bij gebruik openbaar vervoer (alleen in de zin van oefenen);
- hulp bij of overnemen van post openmaken, voorlezen en regelen, afhandeling praktische zaken;
- hulp bij of overnemen van oppakken, aanreiken, verplaatsen van dagelijks
noodzakelijke dingen zoals het oppakken van dingen die op de grond zijn gevallen als een leesbril, het aanreiken van dingen die buiten bereik zijn geraakt zoals een kussen, het verplaatsen van een boek, telefoon en dergelijke;
- hulp bij plannen en stimuleren van contact in persoonsgebonden sociale omgeving;
hulp bij communicatie in de persoonsgebonden omgeving bij bijvoorbeeld afasie. Deze activiteit richt zich met name op de beperkingen in de sociale redzaamheid en het zich bewegen en verplaatsen.
3. Het bieden van toezicht.
- toezicht op en het aansturen van gedrag ten gevolge van een stoornis, thuis of elders;
- toezicht gericht op het bieden van fysieke zorg, zodat tijdig in kan worden gegrepen
bij bijvoorbeeld valgevaar, of complicaties bij een ziekte.
4. Oefenen met het aanbrengen van structuur, c.q. het voeren van regie en/of het uitvoeren
van handelingendie zelfredzaamheid tot doe! hebben.
- oefenen door de cliënt zelf: oefenen met vaardigheden (al dan niet aangeleerd tijdens AWBZ- of GGZ-behandeling) zoals gebruik geleide stok en gebruik hulpmiddelen voor communicatie, stimuleren van wenselijk gedrag, inslijpen van gedrag;
- oefenen van de mantelzorger/gebruikelijke zorger hoe om te gaan met de gevolgen van de aandoening, stoornis of beperking van de cliënt.
* Van instanties als gemeenten, woningbouwverenigingen, UWV, onderwijsinstellingen maar ook bijvoorbeeld banken mag deskundigheid in communicatie met diverse doelgroepen worden verwacht. Hulp bij het meegaan naar winkels en dergelijke behoort tot de eigen verantwoordelijkheid of kan worden ingevuld door vrijwilligers.
** Hierbij moet worden gedacht aan opstaan, wassen, aankleden, eten en op tijd klaar staan. *** Hierbij moet worden gedacht aan het maken van afspraak voor bezoek en sturen van een (verjaardags)kaart.
Onderdeel B. Individuele en groepsbegeleiding.
Onderscheid tussen individuele begeleiding en groepsbegeleiding
Met betrekking tot de activiteit begeleiding wordt er onderscheid gemaakt tussen individuele begeleiding en groepsbegeleiding. Of de cliënt is aangewezen op individuele begeleiding of groepsbegeleiding, wordt bepaald door de afweging wat zorginhoudelijk het meest doelmatig is. Groepsbegeleiding is voorliggend op individuele begeleiding als hetzelfde doel wordt beoogd. Wanneer de begeleiding gericht is op het daadwerkelijk bieden van dagstructuur is groepsbegeleiding de aangewezen vorm van begeleiding. Echter, wanneer de
zorgbehoefte gelegen is in het bijvoorbeeld een of meerdere keren per week bieden van hulp bij het doornemen van de dag- of weekstructuur en de zorgbehoefte is niet gelegen in het daadwerkelijk bieden van die dagstructuur, dan is individuele begeleiding de aangewezen vorm om de zorgbehoefte van de cliënt in te vullen. Ook als er medische contra-indicaties zijn voor begeleiding in groepsverband, kunnen de activiteiten in de vorm van de aanspraak individuele begeleiding worden geïndiceerd. Een dagdeel begeleiding in groepsverband staat in die situatie niet gelijk aan vier uur individuele begeleiding, maar is afhankelijk van het zorgdoel. Het gaat dan om personen waarvoor op medische gronden een contra-indicatie geldt voor deelname aan een groep geboden door een instelling, zoals infectiegevaar of ernstige energetische beperkingen. Op basis van het zorgdoel voor de cliënt kunnen individuele begeleiding en begeleiding in groepsverband gecombineerd zijn aangewezen. Bij de indicatiestelling wordt er rekening mee gehouden dat deze vormen van zorg niet op hetzelfde moment van de dag kunnen plaatsvinden.
Doel van de groepsbegeleiding.
De omvang van de indicatie voor groepsbegeleiding wordt bepaald door het doel van de zorg. Daarbij kan het gaan om:
1. het bieden van een dagprogramma met als doel al dan niet aangepaste vormen van arbeid (ook vrijwilligerswerk) of school te vervangen gedurende maximaal negen dagdelen per week;
2. het bieden van activiteiten met als doel een andersoortige vorm van dagstructurering dan arbeid of school en tevens zelfredzaamheid en cognitieve capaciteiten en vaardigheden zoveel mogelijk te handhaven en/of gedragsproblematiek te reguleren gedurende maximaal negen dagdelen per week.
De dagactiviteiten in groepsverband zoals hiervoor vermeld moeten programmatisch/methodisch zijn, gericht op het structureren van de dag, op praktische ondersteuning en op het oefenen van vaardigheden die de zelfredzaamheid bevorderen. Dagbesteding houdt in een structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij de cliënt actief wordt betrokken en die hem zingeving verleent. Hieronder wordt niet verstaan een reguliere dagstructurering zoals die in de woon-/verblijfsituatie wordt geboden of een welzijnsactiviteit zoals zang, bingo, uitstapjes en dergelijke.
Bij volwassenen tot de AOW-gerechtigde leeftijd die vanwege hun aandoeningen, stoornissen of beperkingen niet (meer) kunnen deelnemen aan het arbeidsproces, kan er een aanspraak zijn op begeleiding in de zin van doel 1of doel 2. Bij volwassenen die ouder zijn, kan er, op basis van hun aandoeningen, stoornissen en beperkingen, aanspraak zijn op begeleiding in de zin van doel 2
Overig
- Geldigheidsduur indicatie begeleiding met als activiteit oefenen.
- Voor de geldigheidsduur van de indicatie geldt in het algemeen dat indien er sprake is van begeleiding met het oog op de activiteit "oefenen" een maximale indicatieduur van een jaar geldt.
Gemiddelde tijden
- De gemiddelde tijd bevat de tijdsbesteding die direct gemoeid is met de directe zorg/handeling. Maar ook het binnen komen, gedag zeggen, handen wassen en het vertrekken (indirecte zorg).
Afbakening met andere wetgeving
- Afbakening Zorgverzekeringswet
De zorgverzekeringswet is verantwoordelijk voor de zogenaamde lijfsgebonden zorg. Begeleiding bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen is een verantwoordelijkheid van de gemeente.
Onder de ADL-activiteiten vallen ook activiteiten als aan- en uitkleden, persoonlijke hygiëne, eten en drinken etc. Indien sprake is van overname van ADL-activiteiten gericht op persoonlijke zorg is de ziektekostenverzekeraar de aanwezen instantie. Als er sprake is van begeleiding bij de persoonlijke verzorging is de gemeente verantwoordelijk. Het doel van deze (gemeentelijke) persoonlijke verzorging is het ondersteunen bij, of overnemen van, activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging (met inbegrip van enige begeleiding bij die activiteiten), gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid. De aard van de hulpvraag ligt hier nadrukkelijk niet op een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico hierop.
Persoonlijke verzorging is onder te verdelen in persoonlijke begeleiding basis en persoonlijke verzorging basis+. Bovenstaande omschrijving van de gemeentelijke persoonlijke verzorging betreft de persoonlijke begeleiding basis. Bij persoonlijke verzorging basis+ kan de inwoner erop rekenen dat de zorgaanbieder naast de planbare zorg, ook oproepbare zorg levert binnen een redelijke tijd.
Activiteiten (gemeentelijke) persoonlijke verzorging:
- Uitgangspunt bij persoonlijke verzorging is het vergroten van de zelfredzaamheid van de inwoner. Indien mogelijk wordt erop ingezet dat de inwoner in de toekomst de taken zelf of met hulp van het sociaal netwerk kan uitvoeren.
- Hulp bij Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL-taken), zoals zich wassen, zich kleden, beweging en houden (waaronder in/uit bed gaan), eten en drinken, toiletgang en eventueel ook de controle van lichaamsfuncties.
- Hulp bij beperkingen op het vlak van zelfverzorging van haren, sieraden omdoen, zich opmaken, scheren, mond- en gebitsverzorging, hand- en voetverzorging, aanbrengen en uitdoen van prothesen, hoortoestel aan of uitzetten, bril poetsen en opzetten, medicijnen klaarzetten (m.u.v. het vullen van de weekdozen) en toedienen.
- Persoonlijke verzorging bevat ook advies, instructie en voorlichting aan de inwoner die in directe relatie staan met de persoonlijke verzorging. Hiertoe behoort ook het desgevraagd adviseren van informele verzorgers van de inwoner.
Afbakening Wet langdurige zorg
Er bestaat recht op zorg en verblijf op grond van de Wlz indien de cliënt is aangewezen op permanent toezicht en 24 uur per dag zorg in de nabijheid. ook als de cliënt aanspraak maakt op Wlz-zorg, maar deze thuis ontvangt in de vorm van een Volledig Pakket Thuis (VPT) of door eigen inkoop met een persoonsgebonden budget, kan deze geen beroep doen op de Wmo. Voor kinderen die thuis wonen met een Wlz-indicatie kunnen eventueel benodigde woningaanpassingen uit de Wlz bekostigd worden. Voor de onderdelen waarvoor geen recht op Wlz-zorg bestaat, kan de cliënt een beroep op ondersteuning door de gemeente doen. Algemene voorzieningen op grond van de Wmo, waaronder cliëntondersteuning, zijn overigens wel beschikbaar voor de cliënt met een Wlz-indicatie.
Bijlage 2. Doelstelling, criteria en normstelling hulp bij het huishouden.
Ondersteuning bij huishoudelijk werk
Ondersteuning bij huishoudelijk werk zorgt voor een bijdrage in zelfstandig leven en het voeren van een gestructureerd huishouden. Het resultaat moet zijn een schoon en leefbaar huis, dragen van schone kleding en zelfstandig thuis blijven wonen. Ondersteuning bij huishoudelijk werk bestaat dan ook uit: het overnemen van schoonmaakwerkzaamheden en het overnemen van de wasverzorging.
Leidraad tijdnormering schoonmaakwerkzaamheden
De normtijden die hieronder genoemd worden zijn bedoeld als leidraad en zeker geen vaststaand feit. Het is altijd maatwerk. In overleg met de hulpvrager wordt gezamenlijk tot een oplossing gekomen. De tijdnormering kan hierbij helpen. Deze normering is tot stand gekomen in overleg met de Participatieraad en de zorgaanbieders.
Uitgangspunt bij de tijdnormering is de grootte van de woning. De leefsituatie is alleen nog van belang bij de wasverzorging en als er meerwerkfactoren zijn als gevolg van de aanwezigheid van kinderen of extra volwassen personen. Voor de grootte van de woning hoeft slechts een verdeling te worden aangehouden tussen een woning met 2 slaapkamers of minder en een woning met meer dan 2 slaapkamers.
Uitgangspunten:
- elementaire ruimten in de woning zijn leidend. Hiermee bedoelen we: woonkamer, keuken, badkamer, slaapkamer. Het aantal volwassenen is niet leidend; er wordt gekeken naar de grootte van de woning.
- er wordt uitgegaan van de norm van sociale woningbouw (zie voor normering overzicht blz. 26); het hebben van een grote (vrijstaande) woning leidt niet tot meerhulp c.q. een hogere ureninzet.voor de aanwezigheid van kinderen kan meerhulp ingezet worden.
- het hebben van huisdieren is een eigen keuze; hier wordt niet automatisch meerhulp ingezet. Het betreft maatwerk.
- bij bepaalde problematiek (bijv. incontinentie/copd) wordt niet automatisch meerhulp ingezet. Het betreft maatwerk.
- Onder huishoudelijke taken vallen zowel uitstelbare als de niet-uitstelbare taken. Het verzorgen van kinderen valt ook onder de ondersteuning bij huishoudelijk werk.
- Niet-uitstelbare taken zijn bijv. het verzorgen van de maaltijd en het verzorgen van kinderen.
- Wel-uitstelbare taken zijn wasverzorging, lichthuishoudelijk werk en zwaar huishoudelijk werk.
- Persoonsgebonden budget ;er wordt in beginsel geen persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden verstrekt als de te betrekken persoon behoort tot het sociaal netwerk van de hulpvrager.
- Spoedhulp; komt maar zelden voor. Alleen bij niet-uitstelbare taken, geen aanwezigheid van mantelzorg/sociaal netwerk en situaties waarbij geen gebruikelijke hulp aanwezig is en waarbij acuut hulp noodzakelijk is (bijv. alleenstaande ouder die ongeluk krijgt en waardoor kinderen opgevangen moeten worden).
- Geldigheidsduur indicatie; de indicatie voor hulp bij het huishouden wordt voor maximaal 5 jaar gegeven of bij kortdurende hulp bijv. na ziekenhuisopname maximaal 3 maanden.
- Iedere volwassen inwoner wordt verondersteld naast een volledige baan of opleiding een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren.
- Overbelastinq; wanneer de gebruikelijke hulp overbelast raakt dan wel dreigt te raken dan moet dit medisch onderzocht worden; wanneer de mantelzorger overbelast raakt dan wel dreigt te raken dan kan dit medisch onderzocht worden.
- Korte levensverwachting; ter ontlasting van de leefeenheid kan hulp bij het huishouden ingezet worden ondanks aanwezigheid gebruikelijke hulp.
- Inzet van kinderen; van kinderen vanaf 13 jaar kan inzet verwacht worden in het huishouden.
I. Algemeen
Boodschappen
De boodschappenservice is algemeen gebruikelijk, beschikbaar en bruikbaar. In situaties waarbij de inwoner dusdanig beperkt is dat hij niet in staat is om gebruik te maken van een boodschappenservice, er geen mantelzorger, familie en of sociaal netwerk aanwezig kan als tijdnormering voor het samenstellen van een boodschappenlijst, bestellen en opruimen van de boodschappen gehanteerd worden: 15 minuten per week
Als er geen boodschappenservice beschikbaar is dan is de tijdnormering voor het doen van boodschappen: max. 60 minuten per week
Bereiding broodmaaltijd
Broodmaaltijd bereiden (brood smeren) 15 minuten per keer, lx per dag
's Morgens de boterhammen voor 's avonds klaarmaken en afgedekt in de koelkast bewaren.
Warme maaltijd
De maaltijdservice en kant - en klaarmaaltijden zijn algemeen gebruikelijk, beschikbaar en bruikbaar.
II. Licht en zwaar huishoudelijk werk
Licht huishoudelijk werk in huis
Stof afnemen
Opruimen
Woning met 2 slaapkamers of minder in dagelijks gebruik
40 minuten per week
Woning met 3 slaapkamers of meer in dagelijks gebruik
60 minuten per week
Zwaar huishoudelijk werk in huis
Stofzuigen
Schrobben, dweilen, schoonmaken van sanitair en keuken
Bedden verschonen
Woning met 2 slaapkamers of minder in dagelijks gebruik
70 minuten per week
Woning met 3 slaapkamers of meer in dagelijks gebruik
100 minuten per week
Mogelijke extra's
Voor slaapkamers die niet in dagelijks gebruik zijn (maximaal 2)
5 minuten per week
Meerwerk i.v.m. trap/hal eengezinswoning e.d..
10 minuten per week
Ramen wassen (alleen aan de binnenkant: een keer per kwartaal)
5 minuten per week
Voor de aanwezigheid van kinderen < 12 kan meerhulp worden geïndiceerd
max. 15 minuten per kind per week
Bij een hoge vervuilingsgraad ten gevolge van de beperking kan meerhulp worden geïndiceerd (alleen tijdelijk)
max. 30 minuten per week
Indien meer dan een volwassene aanwezig dan kan verhoging plaatsvinden van de op basis van II berekende normering met:
max. 30 minuten.
III. Wassen en strijken
Wasverzorging
Kleding en linnengoed sorteren en wassen in wasmachine
Was drogen in droogmachine
Vouwen, strijken, opbergen
Eenpersoonshuishouden: Max 45 minuten per week
Tweepersoonshuishouden: Max 60 minuten per week
Louter strijken een of meerpersoonshuishouden
Max 30 minuten per week per persoon >18 jaar
Factoren meerhulp
Aantal kinderen <18 jaar
15 min per kind per week
Het strijken van bovenkleding is opgenomen in de normtijd. Onderkleding en beddengoed wordt gevouwen.
Normering sociale woningbouw
Soort vertrek
Maximaal aantal m2
Woonkamer
30
Keuken
10
Eenpersoonsslaapkamer
10
Tweepersoonsslaapkamer
18
Toiletruimte
2
Badkamer
5
Entree/gang/hal
5
Berging
6
HET ONDERZOEKEN VAN OVERBELASTING.
Algemeen
De indicatiesteller onderzoekt altijd of er in de individuele situatie moet worden afgeweken van de algemene regels. Een van de redenen om in de individuele situatie af te wijken kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat zij taken overneemt, reeds overbelast dreigt te raken.
In Van Dale wordt overbelasting uitgelegd als "meer belasten dan het prestatievermogen toelaat". In medische kringen praten we dan over het (on)evenwicht tussen draagkracht (= belastbaarheid) en draag last (= belasting). Overbelasting kan veroorzaakt worden door een combinatie van symptomen van lichamelijke en/of psychische aard en wordt het bepaald door in- en uitwendige facto ren .
Factoren die van invloed zijn op de draagkracht zijn onder meer:
- lichamelijke conditie mantelzorger;
- geestelijke conditie mantelzorger;
- wijze van omgaan met problemen (coping);
- motivatie voor zorgtaak;
- sociaal netwerk.
Factoren die van invloed zijn op de draaglast zijn onder meer:
- omvang en mate van (on)planbaarheid van zorgtaken;
- ziektebeeld en prognose;
- inzicht van mantelzorger in ziektebeeld van de zorgvrager;
- woonsituatie;
- bijkomende sociale problemen;
- bijkomende emotionele problemen;
-bijkomende relationele problemen.
Onderzoek naar de draaglast-draagkracht mantelzorger.
Het kan soms heel duidelijk zijn dat de mantelzorger overbelast is, in andere gevallen is dat minder duidelijk en zal dit in het indicatieonderzoek moeten worden uitgediept. Er bestaat niet een, simpel af te nemen test, die hierover direct uitsluitsel geeft. Wel bestaan er allerlei vragenlijsten op dat gebied en kunnen door de mantelzorger ervaren klachten duiden op overbelasting. Uit een uitspraak van het Cvz (Zknr. 23010188) blijkt dat het College van mening is dat de beperkingen in de belastbaarheid vanwege de gezondheid van de mantelzorger dienen te worden beoordeeld door of onder verantwoordelijkheid van een arts. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de behandelende sector volstaan om hierover een oordeel te vormen. Dit dient dan wel onder aanwijzing van een arts te gebeuren; deze dient vervolgens ook bij het eindoordeel te worden betrokken. Indien de situatie heel erg duidelijk is dan is consultatie van een arts niet nodig.
Onderzoeksvragen.
Hieronder volgt een reeks van vragen die de indicatiesteller zou kunnen helpen bij het verkrijgen van een indruk over de eventuele overbelasting van de mantelzorger.
Wat zegt de mantelzorger er zelf over, hoe ervaart hij of zij het zorgen?
Hoe is de (lichamelijke en geestelijke) gezondheid van de mantelzorger?
Zijn er signalen van overbelasting: nervositeit, vermoeidheid?
Heeft de mantelzorger een "uitlaatklep"? Heeft hij of zij de mogelijkheid om activiteiten buitenshuis te doen? Kan iemand zijn verhaal kwijt bij vrienden, familie of professionals? Wordt er respijtzorg geboden zodat de mantelzorger even op adem kan komen?
Hoe is de relatie tussen de mantelzorger en de cliënt? Hoe stelt de cliënt zich op, veeleisend of juist dankbaar? Kan de mantelzorger grenzen aangeven en 'nee' zeggen? Is er irritatie tussen de mantelzorger en cliënt?
Heeft de mantelzorger inzicht in de ziekte van de cliënt? (Als men weet dat bepaald gedrag uit de ziekte voortkomt, kan het gemakkelijker zijn dat gedrag te accepteren.)
Hoeveel tijd heeft de mantelzorger? Heeft iemand een baan, een eigen gezin, een ander familielid dat zorg behoeft? Voorbeeld: een echtgenoot wordt ziek, terwijl zijn vrouw ook al voor haar ouders zorgt.
Is de zorg te plannen of is er continue controle en toezicht nodig?
Hoe is de prognose? (Een terminale situatie is altijd zwaar, maar een situatie die langdurig en stabiel is, kan ook veeleisend zijn.)
Wat zijn de knelpunten in de zorg?
Hoe is de woonsituatie? Woont men afgelegen, of in een flat zonder lift zodat de cliënt en de mantelzorger min of meer samen opgesloten zitten.
Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting
Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. Het is mogelijk, dat slechts een van deze symptomen waarneembaar is. Over het algemeen zullen meerdere symptomen gecombineerd optreden. De mate, waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Daarnaast dient men zich te realiseren dat het hierbij om veelal aspecifieke symptomen gaat, die ook bij andere stoornissen kunnen passen (dit is een van de redenen waarom het Cvz de beoordeling hiervan bij de arts neerlegt). Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat. Indien er meerdere van onderstaande symptomen aanwezig zijn, is het raadzaam dat de zorger zijn huisarts raadpleegt, omdat bij langdurige aanwezigheid en/of verwaarlozing van dergelijke symptomen weer kunnen leiden tot andere, ernstige stoornissen.
Mogelijke symptomen van overbelasting zijn:
Gespannen spieren, vaak in schoudergordel en rug
Hoge bloeddruk
Gewrichtspijn
Gevoelens van slapte
Slapeloosheid
Migraine, duizeligheid
Spierkrampen
Verminderde weerstand, ziektegevoeligheid
Opvliegingen
Ademnood en gevoelens van beklemming op de borst
Plotseling hevig zweten
Gevoelens van beklemming in de hals
Spiertrekkingen in het gezicht
Verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie, zwijgen
Ongeduld
Vaak huilen
Neerslachtigheid
Isolering
Verbittering
Concentratieproblemen
Dwangmatig denken, niet meer kunnen stoppen
Rusteloosheid
Perfectionisme
Geen beslissingen kunnen nemen
Denkblokkades
Hoofdstuk 12
Artikel 28
Citeertitel
Onderdeel van Besluit nadere regels maatschappelijke ondersteuning 2017 gemeente Venray