Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Afdeling 4

Artikel 2.4.18

Verontreiniging door honden

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening (7.1)

1.. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor hetverkeer van voetgangers; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; op wegen binnen de bebouwde kom; op een andere door het college aangewezen plaats. 2.. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. 3.. Voor de eigenaar of houder van een hond geldt op wegen binnen de bebouwde kom een algehele opruimplicht van de uitwerpselen. Deze opruimplicht geldt ook voor de door het college aangewezen losloopgebieden binnen de bebouwde kom. 4.. De eigenaar of houder van een hond is verplicht, indien de hond zich op de weg bevindt, ervoor te zorgen een deugdelijk hulpmiddel, dat als zodanig is bestemd voor het verwijderen van uitwerpselen, bij zich te dragen en dit op de eerste vordering van de ambtenaar, belast met de zorg voor de naleving van één of meer bepalingen van deze verordening, te tonen. 5.. Het in het vierde gestelde gebod geldt niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.

Rechtspraak bij dit artikel