Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (het gebouw). Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigenden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak.
Voordat een monument wordt aangewezen, wordt in de meeste gevallen overleg gevoerd door burgemeester en wethouders met de eigenaar over het voornemen.
Het lid “Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar” is niet overgenomen uit de model Erfgoedverordening va de VNG. Op basis van lid 1 ontvangen alle zakelijk gerechtigden een voornemen over de aanwijzing. Voor alle voorgenomen aanwijzingen geldt dat de eigenaar overleg kan voeren met burgemeesters en wethouders over het voornemen. Een uitzonderingspositie voor kerkelijke monumenten wordt niet gemaakt, omdat de status gemeentelijk monument in principe geen beperking hoeft te zijn aan een religieus gebouw ben/of de godsdienstvrijheid.
§ 9.
Artikel 6.
Voornemen tot aanwijzing
Onderdeel van Erfgoedverordening gemeente Haarlemmermeer 2016