1.De belastingaanslagen als bedoeld in artikel 7 en artikel 13, onder 1, moeten worden betaald in
twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de
maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
In afwijking van het eerste volzin geldt, in geval het totaalbedrag van de op één
Aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het
bedrag daarvan minder is dan € 2.500,- en zolang de verschuldigde bedragen door
middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de
aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste vervalt één maand
na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen een maand
later. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden
gestelde termijnen.
2.Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de
Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een
bestuurlijke boete is het in het eerste lid bepaalde van overeenkomstige toepassing.