Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1 › Paragraaf 1

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Beleidsregel bestuurlijke boete Basisregistratie personen gemeente Twenterand 2017

Artikel 3 Lid 1, Dit betreft het zogenaamde 'ne bis in idem' beginsel. In de jurisprudentie ten aanzien van dit beginsel heeft de Hoge Raad enkele criteria opgeworpen om vast te stellen of er sprake is van hetzelfde feit. Allereerst is de feitelijke gedraging van belang. Er is sprake van hetzelfde feit als de gedraging in meer delicten hetzelfde is. Daarnaast speelt het beschermde rechtsgoed een rol. Wanneer de burger geen aangifte doet van zijn adreswijziging en vervolgens niet verschijnt wanneer het college van B en W hem daartoe verplicht, dan zijn dat in feite twee overtredingen. Het kan in dit geval disproportioneel zijn om twee boetes op te leggen. Overwogen kan worden om slechts één boete op te leggen. Artikel 3 Lid 2, De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt drie jaar nadat de overtreding is begaan conform artikel 5:45 Algemene Wet Bestuursrecht. Het is dus van belang om te bepalen op welke datum de overtreding van een verplichting op grond van de Wet BRP is begaan. Uitgangspunt is, dat de overtreding wordt geacht te zijn begaan op het moment, dat het college constateert, dat niet aan de wettelijke verplichting is voldaan. Bijvoorbeeld na overtreding van de aangifteplicht blijft de overtreding actueel. Elke dag dat de burger in gebreke blijft, overtreedt hij de wet. De termijn schuift daarmee dus op. Artikel 3 lid 3, Meestal ligt de verplichting in de Wet BRP alleen bij de ingeschrevene. In dat geval is de boete alleen opeisbaar bij de ingeschrevene. Soms echter ligt de verplichting bij verschillende mensen. In dat geval kan de boete ook opgelegd worden aan verschillende mensen. Er moet dan een keuze gemaakt worden aan wie de boete wordt opgelegd. Verplichting Wet BRP Betreffende personen Verantwoordelijke personen Verplichting geldt niet als 2.38, 2.39 en 2.43, 2.44, 2.45, 2.46 en 2.47 Verplichting aangifte migratie, overleggen van brondocumenten, verschaffen inlichtingen Minderjarigen tot 16 jaar. Ouders, voogden of verzorgers. n.v.t. 2.38, 2.39 en 2.43, 2.44, 2.45, 2.46 en 2.47 Minderjarigen van 16 tot 18 jaar. Ouders, voogden of verzorgers. De minderjarige zelf aangifte doet. 2.38, 2.39 en 2.43, 2.44, 2.45, 2.46 en 2.47 Onder curatele gestelde personen. Curatoren. n.v.t. 2.51 Verplichting overlegging overlijdensakte van iemand overleden in het buitenland. In het buitenland overleden ingeschrevenen. Echtgenoot, geregistreerde partner, andere nabestaanden tot en met de tweede graad. n.v.t. Artikel 3 lid 4: Indien meerdere personen de verplichting hebben om aangifte te doen op grond van dit artikel, zijn deze personen hoofdelijk aansprakelijk. Dat betekent dat aan elke persoon afzonderlijk een boete opgelegd kan worden. (ook indien anderen medeaansprakelijk zijn). Als één van de personen aan wie de boete is opgelegd betaalt, zijn de anderen gevrijwaard tot het betalen van de boete. Voor de aangifte moet het college van B en W wel bepalen op wie de verplichting voornamelijk rust. In het geval van minderjarigen zal de verplichting eerder rusten op de ouder, voogden, of verzorgers, bij wie het kind gaat wonen, dan bij de ouder of ouders op wiens adres het kind niet meer woont. In het geval dat het college van B en W meerdere personen aansprakelijk stelt voor de bestuurlijke boete, zullen deze personen afzonderlijk aangeschreven moeten worden. Artikel 3 lid 5: De bestuurlijke boete kan niet opgelegd worden als de overtreder is overleden. Wanneer de boete bij leven van de burger is opgelegd en de burger vóór de inning komt te overlijden, dan vervalt de boete.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel