Naar hoofdinhoud
1.. Personen in dienst van de openbare rechtspersoon kunnen geen lid zijn van de raad van toezicht. 2.. Het lidmaatschap van de raad van toezicht en de functie van directeur-bestuurder is onverenigbaar met het lidmaatschap van de GMR, van de medezeggenschapsraad van een van de scholen en het lidmaatschap van het college van B&W of van de gemeenteraad. 3.. Een lid van de raad van toezicht en van het bestuur mag niet: als advocaat, procureur, gemachtigde of adviseur in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de openbare rechtspersoon dan wel ten behoeve van de wederpartij van de openbare rechtspersoon of van een andere bij het geschil betrokken partij; als gemachtigde of als adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het aangaan van collectieve arbeidsovereenkomsten met de openbare rechtspersoon of in die hoedanigheid deelnemen aan het Decentraal Georganiseerd Overleg; als gemachtigde of als adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het aangaan van overeenkomsten met de openbare rechtspersoon als bedoeld in onderdeel d; rechtstreeks of middellijk een overeenkomst aangaan betreffende: het aannemen van werk ten behoeve van de openbare rechtspersoon; het buiten dienstbetrekking tegen beloning verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de openbare rechtspersoon; het leveren van roerende zaken anders dan om niet aan de openbare rechtspersoon; het verhuren van roerende zaken aan de openbare rechtspersoon; het verwerven van betwiste vorderingen ten laste van de openbare rechtspersoon; het van de openbare rechtspersoon onderhands verwerven van onroerende zaken of beperkte rechten waaraan deze zijn onderworpen; het onderhands huren of pachten van de openbare rechtspersoon. 4. . Onverminderd het bepaalde in dit artikel waken de leden van de raad van toezicht en de directeur-bestuurder in algemene zin voor verstrengeling van hun persoonlijke of zakelijke belangen met de belangen van de openbare rechtspersoon.

Rechtspraak bij dit artikel