Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.

Beleidsregels

Onderdeel van Nota Ruimtelijke Beoordeling 2017

Voor het voeren van ruimtelijke procedures en het nemen van een principebesluit gelden de volgende drie beleidsregels: Met de komst van de nieuwe Wro blijft het bestemmingsplan het document waarin beslissingen met juridisch bindende consequenties voor overheid en inwoners zijn vastgelegd. Het is daarom van groot belang dat het bestemmingsplan actueel is. Het verschaft immers de juridische basis voor het bestuur, de inwoners en het bedrijfsleven voor wat wel en niet mag. Bloemendaalse bestemmingsplannen hebben een conserverend karakter. Ontwikkelingen en initiatieven die wel ontwikkelingsgericht zijn en die niet passen binnen het bestemmingsplan worden beoordeeld aan de hand van het ruimtelijk beleid zoals opgenomen in de Structuurvisie Bloemendaal. Wanneer een initiatief niet past binnen het kader van de structuurvisie, wordt er in principe niet meegewerkt aan dat initiatief en wordt er geen ruimtelijke procedure opgestart. Het kan zijn dat de Nota bijgebouwen 2017 (voorheen Nota Erfregeling) niet correct is opgenomen in het bestemmingsplan. In dat geval wordt via een afwijkingsprocedure medewerking verleend aan plannen die passen binnen deze nota. Naast de hiervoor genoemde categorieën van gevallen waarbij afwijking van het bestemmingsplan mogelijk is, kunnen bijzondere omstandigheden ook aanleiding zijn om van het planologische beleid af te wijken. Hieronder worden vijf situaties beschreven waarbij afwijking van planologisch beleid onderzocht kan worden. Als het gaat om het terugbrengen van de historische situatie. Hierbij wordt gedoeld op plannen, waarmee de doelstelling om cultuurhistorische waarden te beschermen aantoonbaar is gediend, zoals omschreven in de toelichting bij het bestemmingsplan of in de Nota Landgoederen. Hierbij dient onomstotelijk aangetoond te worden dat een historische situatie wordt hersteld waarmee een cultuurhistorische waarde is gediend. Als het gaat om een onevenredigheid in de wijze van bestemmen. Het kan voorkomen dat tijdens het herzien van een (groot) bestemmingsplan een onzorgvuldigheid heeft plaatsgevonden, doordat bestaande rechten onbedoeld zijn weggelaten of er in afwijking van het Handboek bestemmingsplannen is bestemd. In eerste instantie is het aan de eigenaar van ieder perceel om na te gaan of tijdens de bestemmingsprocedure zorgvuldigheid wordt betracht. Hiervoor bestaan uitgebreide inspraakmogelijkheden. Mocht na vaststelling een plan toch blijken dat er een onzorgvuldigheid is geslopen in de wijze van bestemmen, kan dit een reden zijn om medewerking te verlenen aan een verzoek in strijd met dit bestemmingsplan. Als het gaat om een algemeen of maatschappelijk belang. Het kan voorkomen dat een bestemmingsplan achterhaald is of onevenredig belemmert voor het behalen van een algemeen of maatschappelijke doel. Dit moet worden bezien in combinatie met het ontbreken van andere alternatieven binnen het bestemmingsplan. Het algemeen of maatschappelijk belang dient bij het indienen van een verzoek duidelijk te worden aangetoond. Onder maatschappelijk belang worden verstaan ontwikkelingen rond scholen en kinderopvang, verzorgingshuizen, sportaccommodaties en sociaal-maatschappelijke instellingen. Deze afwegingsmogelijkheid biedt ruimte om – in de gedachte van de omgevingswet – een ruimtelijk vraagstuk meer integraal vanuit de maatschappelijke wenselijkheid te beoordelen. In dat geval moet men de afweging maken of een ruimtelijk gewenste situatie in een specifieke situatie moet wijken omdat het beoogde maatschappelijk doel in dat geval zwaarder moet wegen. Als het gaat om nieuw beleid, wetgeving of op handen zijnde aanpassing van regelgeving. Nieuw beleid of wetten kunnen invloed hebben op de behoefte aan ruimte. In de praktijk kan dit ertoe leiden dat extra ruimte nodig is. Ook andere regelgeving (bijvoorbeeld op veiligheidsgebied) kan leiden tot een ander gebruik van ruimte. Dit kan leiden tot een situatie waarin de huidige functie niet langer uit te voeren valt binnen de bestaande ruimte. Dergelijke wijzigingen van beleid, wetten of regels kan een aanleiding zijn om mee te werken aan een aanvraag. Als het past binnen sectoraal beleid. Als de structuurvisie zich niet specifiek uitlaat over een ontwikkeling of een initiatief dat als ‘kruimelgeval’ (Bijlage II, artikel 4 van het Bor) via een omgevingsvergunning kan worden verleend, dan wordt de ontwikkeling getoetst aan ander gemeentelijk sectoraal beleid. Als de ontwikkeling binnen dat beleid past, dan kan het alsnog worden toegestaan. Het uitgangspunt daarbij is wel dat de juiste functie/ontwikkeling op de juiste plaats wordt gerealiseerd. Als een ontwikkeling past binnen het sectoraal beleid maar niet binnen de structuurvisie, dan gaat de Structuurvisie boven het sectoraal beleid. De beschikbare ruimte in Nederland is beperkt. Met de ruimte die er is moet daarom zorgvuldig worden omgegaan. De wetgever dringt daarom aan op duurzaam ruimtegebruik. Sinds 2012 geldt een toevoeging aan artikel 3.1.6, van het Bro, dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten voorzien in een actuele regionale behoefte en dat ruimte voor die behoefte zoveel mogelijk binnen het bestaand stedelijke gebied wordt gevonden. Nieuwe ontwikkelingen worden daarom verplicht getoetst aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Deze nut- en noodzaaktoets geldt sinds enige tijd ook op basis van de provinciale ruimtelijke verordening en is sinds de nieuwe versie van 12 december 2016, die in werking trad op 1 maart 2017, ook in overeenstemming gebracht met de voorgenoemde ladder voor duurzame verstedelijking. Een belangrijk toetsingsmoment in de ruimtelijke procedure is de vraag of de ontwikkeling passend is in een regionale behoefte. Regionale afspraken worden daarom in ruimtelijke procedures steeds belangrijker. Immers met die afsprakenkaders kan die behoefte worden gekwalificeerd en gekwantificeerd. Het betekent ook dat stedelijke ontwikkelingen die niet in een regionale behoefte voorzien, in beginsel niet worden toegestaan. Bij de beoordeling van een ontwikkeling worden daarom beleidskaders zoals de woonvisie betrokken. Kleine ontwikkelingen, zoals het toevoegen van tien woningen binnen stedelijk gebied, vallen volgens vaste jurisprudentie (op het moment van vaststellen van deze nota) niet onder de ladder. Ruimtelijke kwaliteit kenmerkt het grondgebied van Bloemendaal. Het is met name dit aspect waarop de Bloemendaalse structuurvisie inhoudelijk is vormgegeven. In de structuurvisie staat ruimtelijke kwaliteit dan ook als eerste uitgangspunt genoemd. Bij alle ontwikkelingen en veranderingen wordt kritisch gekeken welke gevolgen daarmee optreden voor de bestaande ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent ook dat beleidsregel 3 van toepassing is op kruimelgevallen (procedures op basis van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2, van de Wabo), met uitzondering van de gevallen die onder de Nota bijgebouwen vallen. Dat betekent ook dat bij ruimtelijke ontwikkelingen voor zowel bouwactiviteiten als functiewijzigingen niet het economische optimum voor de aanvrager centraal staat, maar dat kwaliteit van het landschap en de gebouwde omgeving leidende uitgangspunten zijn. Hierbij gaan we uit van een zorgvuldige werkwijze en een hoge ambitie. Bij elke ontwikkeling moet de historische context onderzocht zijn, samenhang tussen bebouwing en landschap worden aangetoond en sprake zijn van behoud van de schaal en korrel van het landschap. De huidige kwaliteit is in loop der jaren opgebouwd, ontwikkelingen voor alleen de korte termijn passen daar niet bij. Nieuwe plannen moeten toekomstbestendig zijn. In een paragraaf van de ruimtelijke onderbouwing van een ontwikkeling moet het vorenstaande worden beschreven. Ruimtelijke kwaliteit kent verschillende definities. Eén van de definities gaat uit van verschillende waarden. Deze vallen te onderscheiden in gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. In de bijlagen is de Handreiking ruimtelijke kwaliteit opgenomen. Daarin wordt concreet gemaakt wat met deze waarden bedoeld wordt en hoe dat toegepast kan worden in een plan. Heldere stedenbouwkundige uitgangspunten vormen de beginstappen van een hoogwaardige ruimtelijke ontwikkeling. Landschappelijke en cultuurhistorische elementen binnen een plangebied versterken de kwaliteit en identiteit van een ontwikkeling en moeten daarom zoveel mogelijk worden betrokken in het stedenbouwkundig ontwerp. Voorbeelden hiervan zijn historische zichtlijnen en volwassen groen dat in Bloemendaal een belangrijk ruimtelijk gegeven is. Bij het ontwerp moet worden geprobeerd zoveel mogelijk achterkantsituaties van gebouwen richting openbare ruimte te voorkomen. Het stedenbouwkundig ontwerp moet compleet zijn en moet ook een duidelijke visie bevatten met betrekking tot groen en parkeren. Er dient samenhang te zijn in nieuwe bebouwing en nieuwbouw moet aansluiten bij de identiteit van Bloemendaal. Binnen een plangebied dienen functies op elkaar te zijn afgestemd. Buitenruimte is voor de beleving van een kwalitatief hoogwaardige omgeving cruciaal, maar wordt vaak onvoldoende betrokken bij ideevorming of realisatie van projecten. Ook binnen Bloemendaal geldt dat de buitenruimte een belangrijke rol speelt in de beleving van de gemeente. Omdat beleving een belangrijk onderdeel is in het uitdragen van de Bloemendaalse identiteit als prettige, exclusieve woongemeente, dient bij ruimtelijke ontwikkelingen in Bloemendaal veel aandacht te worden besteed aan de buitenruimte bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het is belangrijk dat de openbare ruimte geen restposten bevat maar uit één helder functioneel ontwerp bestaan waarin over het gebruik van de gehele ruimte is nagedacht. Binnen het grondgebied van Bloemendaal maken we onderscheid in de dorpenzone, de landgoederenzone en de kust- en duinzone. Binnen de zones zijn diverse standaarden van ruimtelijke kwaliteit te onderscheiden. De algemene kwaliteit is echter vrijwel overal hoog. Bloemendaal zit echter niet op slot. In voorkomende gevallen kan een ontwikkeling de kwaliteit nog verbeteren of moeten vanwege de hoge dynamiek binnen een gebied worden geaccepteerd dat ontwikkelingen plaatsvinden, mits de bestaande kwaliteit niet vermindert. De hoge mate van kwaliteit staat daarom centraal bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen. Dit is nader uitgewerkt in de Nota Landgoederen en de Nota Villawijken. Het beleid in de structuurvisie is er op gericht om ruimtelijke ontwikkelingen op te vangen in de dorpenzone. Aangezien de ruimtelijke kwaliteit binnen de dorpenzone vaak al hoog is, is het moeilijk om in alle gevallen een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit te behalen. Dit kan een belemmering zijn bij uitvoering van het beleid in de structuurvisie. Het doel is om de kust- en duinzone en de landgoederenzone groen en open te kunnen houden. Om die reden wordt er nu voor gekozen om binnen de dorpenzone ruimtelijke ontwikkelingen toe te staan, mits de ruimtelijke kwaliteit gelijk blijft of verbetert (een ‘ja, mits’ principe). Er wordt geen medewerking verleend als er een verslechtering van de ruimtelijke kwaliteit optreedt. In het geval er in de beginsituatie sprake is van een slechte ruimtelijke kwaliteit, moet deze door de ruimtelijke ontwikkeling beter worden. In de landgoederenzone moet bij ruimtelijke ontwikkelingen sprake zijn van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Als de ruimtelijke kwaliteit al goed is en er dus geen verbetering bereikt kan worden, wordt geen medewerking verleend aan het plan (een ‘nee-tenzij’ principe). In de kust- en duinzone worden in principe geen ruimtelijke ontwikkelingen toegestaan, met uitzondering van de ontwikkelingen (gebouwen, bouwwerken en/of activiteiten) die in de structuurvisie en/of Visie Bloemendaal aan Zee zijn benoemd. Voor functiewijzigingen (zonder bouwactiviteit) geldt dat de bestaande ruimtelijke kwaliteit niet mag verminderen. Als bijlage is een Handreiking ruimtelijke kwaliteit opgenomen. Hierin wordt aan de hand van een vragenlijst concreet gemaakt wat bedoeld wordt met het begrip ruimtelijke kwaliteit. De handreiking is geen formeel beleid, maar is wel nuttig voor zowel het creatieve ontwerpproces bij initiatiefnemers als het beoordelingsproces bij adviesvorming binnen de gemeente. Uitzondering op de beleidsregel zijn (kleine) plannen die op basis van de Nota bijgebouwen 2017 worden beoordeeld. Het gaat hierbij om erfbebouwing van ondergeschikte aard die daarmee een beperkt ruimtelijk effect hebben.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel