Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 6

Artikel 11:

Toetreding en uittreding

Onderdeel van GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING BIJZONDER ONDERZOEK REGIO ZUID-GELDERLAND

1.. Een deelnemende gemeente kan uittreden na afloop van de vijfjaarlijkse periode als bedoeld in artikel 16. Hiervan dient twaalf maanden tevoren mededeling te worden gedaan aan het college van de centrumgemeente. 2.. Aan de uittreding als bedoeld in lid 1 kunnen door het college van de centrumgemeente, gehoord de commissie van advies, als bedoeld in artikel 4, voorwaarden worden verbonden. Betreft het de uittreding van de centrumgemeente, dan is vorenbedoeld advies voor het college van de centrumgemeente bindend, indien dit is tot stand gekomen bij meerderheid van stemmen van het aantal in de commissie zitting hebbende leden. 3.. Een uittreding als bedoeld in lid 1 gaat in met ingang van een vijfjaarlijkse periode, als omschreven in artikel 16 en mits door de uittredende gemeente schriftelijk is verklaard, dat bewilligd wordt in de gestelde voorwaarden als bedoeld in lid 2 en voldaan is aan de vereisten genoemd in artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 4.. Het college van een gemeente die -tussentijds- wenst toe te treden of tussentijds wenst uit te treden, richt een verzoek terzake aan college van de centrumgemeente. 5.. Een verzoek tot tussentijdse uittreding dient tenminste twaalf maanden voor de aanvang van het eerstvolgende begrotingsjaar bij het college van de centrumgemeente te zijn ingekomen. 6.. Het college van de centrumgemeente zendt het verzoek als bedoeld in het vierde lid binnen een maand na ontvangst door aan de colleges van de deelnemende gemeenten onder overlegging van hun advies omtrent de toetreding respectievelijk tussentijdse uittreding en de eventueel daaraan te verbinden voorwaarden. 7.. Toetreding respectievelijk tussentijdse uittreding vindt plaats indien de colleges van tenminste tweederde van het aantal deelnemende gemeenten daarin toestemmen. 8.. Aan de toetreding respectievelijk tussentijdse uittreding kunnen bij de in het zevende lid bedoelde besluiten voorwaarden worden verbonden. 9.. De toetreding gaat in op 1 januari van het jaar, volgende op het jaar waarin is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 10.. Een tussentijdse uittreding gaat in op het tijdstip als bepaald overeenkomstig de leden 6 en 7 mits voldaan is aan de vereisten, genoemd in artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel