De regelgeving op het gebied van soft- en harddrugs is vastgelegd in de Opiumwet. De artikelen 2 en 3 van de Opiumwet stellen het in- en uitvoeren, telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, aanwezig hebben en vervaardigen, van de onder de wet vallende, verdovende middelen strafbaar. Onder deze middelen vallen:
harddrugs (lijst I: o.a. cocaïne, heroïne, amfetamine, XTC en GHB) en
softdrugs (lijst II: de cannabisproducten als hasjiesj en marihuana).
Het gebruik van 2 lijsten maakt het mogelijk verschillende regels te stellen voor soft- en harddrugs. De harddrugs genoemd in lijst I hebben een veel groter gezondheidsrisico dan softdrugs. De handelingen genoemd in artikel 2 van de wet, die zien op harddrugs vermeld op lijst I, zijn strafbaar en overtreders worden door het Openbaar Ministerie strafrechtelijk vervolgd.
Ten aanzien van softdrugs, genoemd in lijst II, voert Nederland een gedoogbeleid. Dit betekent dat het voorhanden hebben van softdrugs weliswaar strafbaar is, maar dit onder bepaalde voorwaarden niet wordt vervolgd. Dit geldt ook voor het verkopen van kleine hoeveelheden softdrugs vanuit alcoholvrije horeca-inrichtingen, de zogenaamde coffeeshops.
Het bezit van 5 gram cannabis of minder voor eigen gebruik is strafbaar, maar leidt niet tot vervolging. Het bezit van 5 tot 30 gram is een overtreding waarop een boete staat. Wie meer dan 30 gram in bezit heeft, begaat een misdrijf, wat kan leiden tot een gevangenisstraf en/of een boete.
Ten aanzien van coffeeshops voert Nederland zoals gezegd een gedoogbeleid. Het beleid van het Openbaar Ministerie hierop is de laatste jaren echter verscherpt. Voor de verkoop van wiet en hasj moeten coffeeshops zich aan regels (de gedoogcriteria) houden. Het Openbaar Ministerie zal tegen een coffeeshop strafrechtelijk optreden indien niet wordt voldaan aan de AHOJGI-criteria (zie hieronder).
Hoofdstuk 1
Artikel 1.1
Het landelijk drugsbeleid
Onderdeel van Coffeeshopbeleid gemeente Lochem 2017