**1..** Kan de belanghebbende de vordering niet in één keer terugbetalen, dan kan hij een voorstel tot terugbetaling doen. Met een betalingsvoorstel van de belanghebbende kan worden ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 3 jaar in zijn geheel kan worden afgelost en de voorgestelde aflossing tenminste € 50,- per maand bedraagt. Daarbij wordt marginaal getoetst of het voorstel redelijk is, gelet op de hoogte van het inkomen en de hoogte van de vordering.
**2..** Indien de belanghebbende, bijvoorbeeld gelet op de hoogte van de vordering, geen voorstel doet waarmee de vordering binnen 3 jaar is afgelost, stelt het college de omvang van de afloscapaciteit vast aan de hand van de financiële situatie van de belanghebbende.
**3..** Omvang afloscapaciteit bij niet-verwijtbare vordering
Voor de belanghebbende wordt het aflossingsbedrag vastgesteld op het voor beslag vatbare bedrag dat van toepassing zou zijn als een bijstandsuitkering zou worden ontvangen, vermeerderd met 50% van de draagkracht.
**4..** Omvang afloscapaciteit bij fraudevordering en bestuurlijke boete
Voor de belanghebbende wordt het aflossingsbedrag vastgesteld op het voor beslag vatbare bedrag dat van toepassing zou zijn als een bijstandsuitkering zou worden ontvangen, vermeerderd met 75% van de draagkracht.
Eventueel relevant vermogen
Bij het vaststellen van de betalingsverplichting van een fraudevordering en een bestuurlijke boete moet tevens eventueel relevant vermogen worden beoordeeld. Dit vermogen dient te worden aangewend ter aflossing van de vordering.
**5..** Bij het vaststellen van het termijnbedrag ter aflossing van de vordering moet de belanghebbende tenminste de beschikking houden over een bedrag gelijk aan de beslagvrije voet, als bedoeld in het Tweede Boek, Tweede afdeling van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
**6..** Wanneer de belanghebbende nalaat inlichtingen te verstrekken die voor de invordering van de terugvordering en de bestuurlijke boete van belang zijn, vervalt de bescherming van de beslagvrije voet. Dit is bepaald in artikel 18a lid 8 PW, artikel 60 lid 6 PW, artikel 20a lid 8 IOAW en IOAZ en artikel 28 lid 6 IOAW en IOAZ.
HOOFDSTUK 3
Artikel 9