Er wordt een subsidieplafond vastgesteld.
Er zijn jaarlijks drie subsidieperiodes.
In periode 1 wordt maximaal 33.33% van het subsidieplafond verleend.
In periode 2 wordt maximaal 33.33% van het subsidieplafond verleend.
In periode 3 wordt maximaal 33.33% van het subsidieplafond verleend.
De volgende periodes worden gehanteerd:
a. Periode 1: 1 januari t/m 30 april;
b. Periode 2: 1 mei t/m 31 augustus;
c. Periode 3: 1 september t/m 31 december.
Als in een jaar het budget van periode 1 en periode 2 op de eerste dag van de volgende periode nog niet is verbruikt, wordt het restant van het budget gevoegd bij het budget voor de volgende periode in dat jaar.