De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 januari 2016 (CRVB 11-01-2016, nr. 15/2099 WWB) voorziet in rekenregels om de draagkracht van de belanghebbende vast te stellen. Bij die berekening wordt uitgegaan van de bijstandsnormen (alleenstaande, alleenstaande ouder en gehuwden). Deze worden ook benoemd in de beslagregels in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
De CRVB geeft aan dat bij de vaststelling van het voor betaling beschikbare inkomen en de beslagvrije voet, naast de bijstandsnormen, geen rekening hoeft te worden gehouden met andere financiële verplichtingen.
Dit deel van de uitspraak wijkt echter af van de beslagregels. De wettelijk vastgestelde beslagvrije voet is 90% van de toepasselijke bijstandsnorm per 1 januari 2017. De beslagregels schrijven voor dat de zorgpremie en woonkosten, kindgebonden budget de beslagvrije voet ophogen.
Landelijke discussies door kenniscentra en gemeenten leiden tot de conclusie dat het juridisch niet houdbaar is om de beslagregels van artikel 475d Rv buiten beschouwing te laten. Daarom is in deze beleidsregels geregeld dat rekening wordt gehouden met de wettelijke beslagregels.
De zorgpremie en de woonkosten, verminderd met ontvangen zorg- en huurtoeslag, verhogen de beslagvrije voet.
De belanghebbende kan daarnaast verzoeken om de beslagvrije voet afwijkend te laten vaststellen. Of met andere financiële verplichtingen (dan de zorgpremie, woonkosten en correctie kindgebonden budget) die niet genoemd zijn in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, rekening wordt gehouden, zal dan op individuele gronden worden beoordeeld. Dit is maatwerk.
De boete moet worden gematigd tot een bedrag dat binnen een redelijke termijn kan worden afgelost.
De CRVB hanteert namelijk vier categorieën.
Bij betaling van de boete geldt een maximale aflossingsduur, die mede is gerelateerd aan de mate van verwijtbaarheid:
bij Opzet: voldoening van de boete moet mogelijk zijn binnen 24 maanden; de boete bij Opzet is 100% van het benadelingsbedrag en maximaal € 82.000,-;
bij Grove schuld: voldoening van de boete moet mogelijk zijn binnen 18 maanden; de boete bij Grove schuld is 75% van het benadelingsbedrag en maximaal € 8.200,-;
bij Schuld: normale verwijtbaarheid: voldoening van de boete moet mogelijk zijn binnen 12 maanden; de boete is 50% van het benadelingsbedrag en maximaal € 5.467,-;
bij Verminderde verwijtbaarheid: voldoening van de boete moet mogelijk zijn binnen 6 maanden; de boete is 25% van het benadelingsbedrag en maximaal € 2.734,-.
Deze aflossingsduur is in overeenstemming met uitspraken van de Centrale Raad van Beroep.
Omdat de boete hoger is bij a. Opzet (100% van het benadelingsbedrag) dan bij d. Verminderde verwijtbaarheid (25% van het benadelingsbedrag), is de aflossingstermijn bij Opzet langer.
Hoofdstuk 3.
Artikel 2.
Hoogte van de boete
Onderdeel van Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ Meierijstad 2017 A