Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 18.

Aanvullende voorwaarden maatwerkvoorzieningen Wmo

Onderdeel van Verordening Sociaal Domein gemeente Waddinxveen 2018

1.. Een inwoner die beperkingen in de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie ondervindt, kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening indien de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie van de inwoner, zodat de inwoner zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, indien: de maatwerkvoorziening de inwoner ondersteunt bij zijn maatschappelijke participatie en/of zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen woningaanpassingen en andere maatregelen; de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan de behoefte van de inwoner aan beschermd wonen of opvang; de maatwerkvoorziening een situatie realiseert waarin de inwoner in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 2.. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt, als: de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, of; de eerder verstrekte voorziening vervroegd technisch is afgeschreven door omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen, of; de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de inwoner aan ondersteuning. 3.. Hulpmiddelen en woningaanpassingen worden niet verstrekt indien deze niet langdurig noodzakelijk zijn. 4.. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening indien de situatie van de cliënt niet (goed) kan worden beoordeeld doordat hij niet voldoet aan de medewerkingsplicht, bedoeld in artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo; 5.. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening in de gevallen, bedoeld in artikel 2.3.5, zesde lid, en 2.3.6, vijfde lid, van de Wmo; 6.. Het college verstrekt geen woonvoorziening: voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers; voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte; indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daar vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; als redelijkerwijs uitgegaan kan worden van renovatie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel