1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte door middel van het werpen van geld in de parkeerapparatuur en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren.
2. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.
3. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.
Artikel 6
Wijze van heffing en termijnen van betaling
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2018