Naar hoofdinhoud

Afdeling III

Artikel J

Artikel J

Onderdeel van Parkeerverordening 2018

1. . Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere middelen, dan wel met andere munten dan die welke in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen. 2. . Het is verboden op een parkeerapparatuurplaats gedurende de tijden waarop het parkeren daar slechts tegen betaling is toegestaan: een motorvoertuig te parkeren indien de parkeerapparatuur niet in werking is gesteld of niet onmiddellijk na aanvang van het parkeren in werking wordt gesteld; een motorvoertuig geparkeerd te houden indien de parkeerapparatuur aangeeft dat de parkeertermijn is verstreken. 3. . Het in het tweede lid genoemde verbod geldt niet wanneer aan de eigenaar of houder van het motorvoertuig een vergunning is verleend voor het parkeren op de betreffende categorie parkeerapparatuurplaatsen, het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van de vergunning en niet gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften. 4. . Het in het tweede lid aangehaalde verbod is niet van toepassing op parkeerappa-ratuurplaatsen waar op grond van de parkeerbelastingverordening naheffingsaanslagen worden opgelegd wegens het niet betalen van het verschuldigde parkeergeld. 5. . Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel.

Rechtspraak bij dit artikel