Allereerst is er het verhaal van de marktstad. Purmerend was eeuwenlang de plaats waar mensen uit de omliggende landbouwgebieden naartoe kwamen om vee en landbouwproducten te verhandelen. Purmerend was een bloeiende handelsstad, met bierbrouwerijen, pakhuizen en monumentale panden aan de Bierkade, de Weerwal en het Venediën.
In de negentiende eeuw komt daar het verhaal van de industrialisering bij. Centraal in dit verhaal staat de naam Brantjes. De familie Brantjes stichten vele bedrijven en industrieën, waaronder een rederij, een traankokerij en een houthandel. Purmerend is geruime tijd het centrum van de houthandel in Noord-Holland boven het IJ geweest. In die eeuw worden ook een aantal gebouwen gebouwd die nu nog monumentale blikvangers in de stad zijn: de Koepelkerk (1853), de Kaaswaag (1883) en de Lutherse Kerk (1880). De familie Brantjes laat aan het eind van de eeuw drie kapitale villa’s bouwen, Villa Clementine, Villa Houtheuvel en Huize Louise.
Aan het begin van de twintigste eeuw ontstaat het verhaal van het Purmerends plateel. In verschillende plateelbakkerijen wordt Jugendstil sieraardewerk vervaardigd, dat internationale vermaardheid krijgt.
Drie geboren Purmerenders zouden in de eerste helft van de twintigste eeuw wereldberoemde architecten worden: Ko (J.J.P.) Oud, Jan Stuyt en Mart Stam. De modernist en mede-oprichter van De Stijl Oud en de meer traditionele Stuyt hebben door het hele land én in het buitenland vele mooie gebouwen ontworpen. Mart Stam is wereldberoemd geworden met zijn revolutionaire buisstoel.
Later in de twintigste eeuw wordt Purmerend een groeikern, breidt qua omvang enorm uit en wordt de woonplaats van vele duizenden mensen die veelal vanuit het overbevolkte Amsterdam naar Purmerend toe trekken. De wijken Overwhere, Wheermolen, de Gors, de Purmer-Noord en -Zuid en uiteindelijk Weidevenne komen tot stand.