Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3:

Artikel 10

– Uittreding uit de regeling

Onderdeel van Centrumregeling Participatiewet Rijnstreek

1. Een deelnemer die wenst uit te treden maakt dit voornemen schriftelijk kenbaar aan de overige deelnemers. 2. Een deelnemer besluit tot uittreding nadat zijn raad hiertoe toestemming heeft verleend. 3. Uittreding kan niet eerder plaats vinden dan met ingang van het kalenderjaar, volgend op het jaar waarin het besluit tot uittreding is genomen, mits het besluit tot uittreding uiterlijk op 30 juni van het jaar, voorafgaand aan het jaar van uittreding, schriftelijk bekend is gemaakt aan de centrumgemeente. 4. Onverminderd het derde lid, is uittreding gedurende de eerste drie jaar na het aangaan van deze regeling, niet mogelijk. 5. De uittredende deelnemer ontvangt van de centrumgemeente bij uittreding een eindafrekening, waarin de kosten worden opgenomen die verband houden met de uittreding. Een en ander wordt nader uitgewerkt in de dienstverleningsovereenkomst. Een afrekening bij uittreding na de eerste drie jaar is niet aan de orde (m.u.v. verplichtingen oud WSW) door de wijze van financiering van een vast bedrag. Na vier of vijf jaar is afrekening afhankelijk van de dan te maken afspraken. 6. Naar aanleiding van de uittreding wijzigen de overige deelnemers de regeling, conform artikel 8, of heffen zij de regeling op, conform artikel 11. 7. Op uittreding uit deze regeling is artikel 15 van deze regeling van overeenkomstige toepassing. 8. Het DVO voor de huidige WSW-medewerkers (oude regeling) kent een langere termijn. Dit wordt in de DVO per gemeente vastgelegd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel