Naar hoofdinhoud

Artikel 13

Vrijstellingen

Onderdeel van VERORDENING BRUG- EN HAVENGELD 2018

1.. Het in deze verordening bedoelde bruggeld wordt niet geheven voor: rijks-, provinciale en gemeentelijke vaartuigen, voor zover niet ingericht of in gebruik voor vervoer of opslag van goederen ten behoeve van op commerciële voet ingerichte bedrijven; hospitaalvaartuigen, als bedoeld in de Wet van 30 december 1905, Stbl. 383; 2.. Het in deze verordening bedoelde havengeld wordt niet geheven voor: het vaartuig, behorende bij een vaartuig waarvoor al rechten worden geheven op grond van deze verordening; rijks- , provinciale en gemeentelijke vaartuigen, voor zover niet ingericht of in gebruik voor vervoer of opslag van goederen ten behoeve van op commerciële voet ingerichte bedrijven; hospitaalvaartuigen, als bedoeld in de Wet van 30 december 1905, Stbl. 383; een zeevaartuig of een binnenvaartuig dat de haven binnen vier uren na aanvang van de belastingplicht weer verlaat, tenzij het vaartuig wordt geladen of gelost; een vaartuig waarvoor roerende-zaakbelastingen worden geheven ingevolge de Verordening roerende-zaakbelastingen.

Rechtspraak bij dit artikel