1. Het college beoordeelt ieder kalenderjaar in de maanden januari en juli welke personen in aanmerking komen voor de tegemoetkoming. De personen die naar het oordeel van het college voldoen aan de voorwaarden als genoemd in deze verordening ontvangen in genoemde maanden ambtshalve de tegemoetkoming. Daarnaast beoordeelt het college bij aanvragen levensonderhoud tevens of recht bestaat op de tegemoetkoming en kent zij deze, zo er recht bestaat, ambtshalve toe.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid van dit artikel staat het eenieder vrij om een aanvraag in te dienen voor de tegemoetkoming op de wijze zoals staat beschreven in artikel 6 van deze verordening.
3. In de toekenningsbeschikking wordt de tegemoetkoming expliciet benoemd als een tegemoetkoming in de kosten van individuele maatschappelijke, sociale, sportieve of culturele activiteiten. Aan welke activiteiten de tegemoetkoming wordt besteed, staat ter vrije keuze van de ontvanger.