Het gaat om kosten die direct verband houden met de verhuizing. Voorbeelden zijn: opknapkosten, transportkosten van de inboedel en aansluitkosten van nutsvoorzieningen. Deze kosten worden aangemerkt als incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.
De Wmo 2015 kan voor de Participatiewet gelden als een voorliggende toereikende en passende voorziening. Ondervindt de belanghebbende bijvoorbeeld beperkingen in het normale gebruik van de woning (zelfredzaamheid) waardoor de verhuizing noodzakelijk is, dan wordt de Wmo 2015 als toereikende en passende voorliggende voorziening worden aangemerkt.
De belanghebbende die plots moet verhuizen door medische omstandigheden en een inkomen heeft dat niet hoger is dan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm, kan op kosten van de gemeente tot een maximaal bedrag van € 1.000,- per verhuizing, gebruik maken van de mogelijkheden van BAR-dichtbij. Het gaat dan om hulp bij het verhuizen/inpakken en eventueel bij het opknappen van een woning. De bijzondere bijstand wordt overgemaakt aan BAR-dichtbij. De kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de wet is hier niet van toepassing. Voor de kosten van stoffering en opknapkosten kan conform de bepalingen van hoofdstuk 3.5 van deze beleidsregels bijzondere bijstand worden verstrekt.
Ook kan de Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie gelden als voorliggende voorziening. Op grond van deze regeling kan een tegemoetkoming worden verkregen.
Kan belanghebbende krachtens de CAO of een individuele arbeidsovereenkomst aanspraak maken op een tegemoetkoming in verhuiskosten door de werkgever, dan geldt dat als voorliggende voorziening.
Hoofdstuk 4 › § 4.
Artikel 4.16
Verhuiskosten divers
Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand Barendrecht 2017