Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.1

Algemene voorwaarden recht op bijzondere bijstand

Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand Ridderkerk 2017

Het college mag een aanvraag om bijzondere bijstand pas beoordelen op grond van artikel 35 van de wet als er geen algemene voorwaarden van toepassing zijn. Deze voorwaarden staan in artikel 11 tot en met 16 van de wet. Als eerste geldt dat de belanghebbende recht op bijstand heeft van het college van de gemeente waar hij zijn woonplaats heeft. Dat moet in het algemeen blijken uit de inschrijving in de Basisregistratie personen. Verder geldt voor het recht op bijzondere bijstand dat de belanghebbende moet: Nederlander zijn of een daaraan gelijkgestelde vreemdeling; en in Nederland verblijven. Artikel 11 van de wet bepaalt ook dat het voor een beoordeling van een aanvraag om bijzondere bijstand van belang is dat de kosten voortvloeien uit een in Nederland opgekomen noodzaak en deze kosten aan Nederland zijn gebonden. Een belanghebbende - die in Nederland woont - kan bijvoorbeeld wel gebruiksgoederen in het buitenland kopen voor gebruik in Nederland. Echter er is voor bijstandsverlening in de kosten van een reis naar en vanuit het buitenland geen plaats, behoudens voor zover de reis wordt gemaakt over Nederlands grondgebied. Artikel 44 lid 1 van de wet bepaalt dat in principe niet eerder bijstand wordt verleend dan tegen de datum waarop belanghebbende zich heeft gemeld voor de aanvraag. Dat sluit aan bij het aanvullende karakter van de bijstand. Het college maakt in deze beleidsregels een uitzondering voor de bijzondere bijstand. Voor aanvragen om bijzondere bijstand geldt dat deze met terugwerkende kracht kunnen worden ingediend en dat het college dan beoordeelt of er aanspraak bestaat op bijzondere bijstand. Aanvragen kunnen worden ingediend binnen zes maanden na de factuurdatum van de kosten. Dit geldt niet voor: verhuiskosten; inrichtingskosten; duurzame gebruiksgoederen; en tandartskosten voor zover het college de aanvraag op grond van artikel 35 van de wet beoordeeld. Voor deze kosten geldt dat een aanvraag altijd moet worden ingediend voordat de kosten worden gemaakt. Omdat ouders tot 21 jaar onderhoudsplichtig zijn voor hun kinderen geldt voor de bijzondere bijstand dat een jongmeerderjarige eerst een beroep moet doen op zijn ouder(s). Overigens kan de jongmeerderjarige vanaf 18 jaar wel zelfstandig een beroep doen algemene bijstand voor de kosten van levensonderhoud. Daarvoor geldt een lage norm die is afgeleid van de hoogte van de Kinderbijslag en is de onderhoudsplicht voor de ouder(s) niet van toepassing. Voor het overige geldt dat wanneer geen beroep kan worden gedaan op de ouder(s) het college bijzondere bijstand kan verlenen. Artikel 12 van de wet bepaalt onder welke voorwaarden bijzondere bijstand mogelijk is. Dat is het geval als de noodzakelijke kosten van het bestaan van de jongmeerderjarige meer bedragen dan de voor hem geldende norm én voor deze kosten geen beroep kan worden gedaan op zijn ouders, omdat: de middelen van de ouder(s) daartoe niet toereikend zijn; of de jongmeerderjarige redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken. Zie verder hoofdstuk 4 van deze beleidsregels. Artikel 13 lid 1 aanhef en onderdeel g van de wet bepaalt dat geen bijstand wordt verleend voor de aflossing van schulden, tenzij sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49 onderdeel b van de wet. Het college heeft de bevoegdheid om bijstand onder borgtocht te verlenen (bij afwijzing van een saneringskrediet). Het college mag alleen bijzondere bijstand verlenen voor noodzakelijke kosten van het bestaan die voortvloeien uit de bijzondere omstandigheden van het individuele geval. De Participatiewet beschrijft echter niet wat (precies) onder noodzakelijke kosten wordt verstaan. Alleen in artikel 14 van de wet staan een limitatief aantal kostensoorten genoemd die in ieder geval niet noodzakelijk zijn. Voorbeelden zijn een boete en geleden of toegebrachte schade. Dit betekent dat voor de hier bedoelde kosten geen bijzondere bijstand mogelijk is. Artikel 5 onderdeel e van de wet omschrijft een voorliggende voorziening als elke voorziening buiten de Participatiewet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken - dan wel een beroep kan doen - ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven. In het algemeen kunnen voorliggende voorzieningen zowel privaatrechtelijke als ook publiekrechtelijk van aard zijn. Een voorbeeld van een privaatrechtelijke voorziening is de aanvullende (collectieve) zorgverzekering. Daarvoor geldt dat een dergelijke voorziening ‘aanwezig moet zijn’ wil deze als voorliggende voorziening aangemerkt kunnen worden. Voorbeelden van publiekrechtelijke voorzieningen zijn: de Wet langdurige zorg en de Wet op de rechtsbijstand. De Zorgverzekeringswet is een privaatrechtelijke schadeverzekering met een publiekrechtelijke waarborg. Dat laatste heeft te maken met een verzekerbaar recht op zorg. Artikel 15 van de wet bepaalt de bevoegdheid tot bijstandsverlening in relatie tot de voorliggende voorziening. Er bestaat geen recht op bijstand voor zover de belanghebbende een beroep kan doen op een voorliggende voorziening die - gezien de aard en doel daarvan - toereikend en passend wordt geacht. Ook bestaat geen recht op bijstand voor kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. Dit geldt ook als de voorliggende voorziening voor een specifieke situatie oordeelt dat de kosten niet noodzakelijk zijn. Voorbeelden van voorliggende voorzieningen zijn: de Zorgverzekeringswet, de Wet op de rechtsbijstand en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. De Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg worden voor de kosten van (para)medische zorg in beginsel als een aan de Participatiewet voorliggende, toereikende en passende voorziening beschouwd. In voorkomende gevallen moet het college onderzoek doen of de kosten op grond van de Zorgverzekeringswet zijn aan te merken als bijvoorbeeld mondzorg, een hulpmiddel of paramedische zorg. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat: dieetkosten, pedicurekosten en de kosten van een personal trainer om af te vallen niet op grond van artikel 15 van de wet afgewezen mogen worden. De kosten moeten beoordeeld worden op grond van artikel 35 van de wet. De aanvullende (collectieve) zorgverzekering vergoedt doorgaans geheel of gedeeltelijk kosten die niet door de Zorgverzekeringswet worden vergoed omdat deze kosten niet noodzakelijk worden geacht. In het algemeen mag worden verwacht dat men zich afdoende verzekerd tegen zorgkosten. Het college kan de (toekomstige) bijzondere bijstand weigeren als belanghebbende zonder (meer)kosten daadwerkelijk kan overstappen naar een collectieve (aanvullende) zorgverzekering die de betreffende kosten zal gaan vergoeden. Het gaat alleen om kosten die het college moet beoordelen op grond van art. 35 van de wet (niet-medische kosten). Daarbij kan een uitzondering gelden wanneer belanghebbende bepaalde zorgkosten heeft die door zijn aanvullende zorgverzekering worden vergoed maar niet door de collectieve aanvullende zorgverzekering (CZM) worden vergoed. Artikel 16 van de wet is van toepassing op personen die zijn uitgesloten van het recht op bijstand. De uitsluitingsgronden zoals hier bedoeld zijn neergelegd in de artikelen 11, 13 lid 1 en 2 en 15 van de wet. Het is echter niet zo dat vreemdelingen, die niet zijn gelijkgesteld met een Nederlander, toch in aanmerking kunnen komen voor bijstand. Dat staat in artikel 16 lid 2 van de wet. Onder zeer dringende redenen vallen situaties van levensbedreigend aard of die blijvend ernstig letsel of invaliditeit tot gevolg kunnen hebben. Ernstig letsel kan ook psychisch letsel omvatten. In de praktijk doen zich dergelijke situaties zelden voor. Betreft het een aanvraag voor een minderjarig kind, dan geldt dat het college ook de financiële mogelijkheden van de wettelijk vertegenwoordiger als voogd zal moeten beoordelen en dat het doen van een aanvullend beroep op de onderhoudsplichtige ouder(s) door de wettelijke vertegenwoordiger in principe kan worden gevergd. Het ligt voor de hand dat het college om medisch advies vraagt voor de beoordeling van de aanvraag.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel