Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 3

Algemeen uitgangspunten

Onderdeel van Damoclesbeleid gemeente Dalfsen (Handhavingsbeleid artikel 13b Opiumwet)

Onderscheid harddrugs en softdrugs In de aanpak wordt onderscheid gemaakt tussen de aanwezigheid van harddrugs en softdrugs. De activiteiten die gerelateerd zijn aan harddrugs hebben een grotere negatieve invloed op het woon- en leefklimaat dan bij de handel in softdrugs. De handel van harddrugs vindt immers vaak plaats in een harder en meer crimineel milieu. Ook vindt er meer loop naar het pand plaats. Een langere sluitingstijd is bij handel in harddrugs noodzakelijk om de situatie te normaliseren. Handelshoeveelheid Voor wat betreft het bepalen wanneer er sprake is van een handelshoeveelheid, wordt aangesloten bij het vervolgingsbeleid van het OM. Het bestuursrechtelijke en strafrechtelijke beleid zijn hierdoor met elkaar in overeenstemming. Dit betekent dat de volgende hoeveelheden niet meer als geringe hoeveelheid voor eigen gebruik, maar als handelshoeveelheid wordt gezien: Middel lijst I (harddrugs): gelijk aan of meer dan 0,5 gram, of 5ml of 1 pil; Middel lijst II (softdrugs): meer dan 5 gram; Hennepplanten: meer dan 5 hennepplanten. Verwijtbaarheid van betrokken personen Het toepassen van bestuursdwang is erop gericht de handel in of vanuit een lokaal of (on)bewoonde woning of erf beëindigd te houden en de openbare orde in de omgeving te herstellen. In beginsel is het voor het bestuursrechtelijk optreden niet van belang of de eigenaar, exploitant/huurder, gebruiker of een derde de overtreding heeft begaan. De feitelijke constatering van overtreding van de Opiumwet is voldoende om over te gaan tot handhavend optreden. Ook speelt de persoonlijke verwijtbaarheid van de betrokkenen van een illegaal verkooppunt geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet waarin de burgemeester kan optreden. Opgemerkt wordt dat een eerdere waarschuwing/maatregelen ten aanzien van dezelfde exploitant/persoon en/of dezelfde inrichting/woning hun gelding blijven houden voor een termijn van vijf jaar, ongeacht of er een wijziging heeft plaatsgevonden van exploitant/persoon (bij de inrichting/woning) of van inrichting/woning (bij de exploitant/persoon). De burgemeester kan bij toepassing van het sluitingsbeleid gebruikmaken van artikel 4:84 Awb voor schrijnende gevallen. Onderscheid woningen en lokalen Handel in drugs vanuit lokalen en (on)bewoonde woningen, dan wel in of daarbij behorende erven, is in het belang van de openbare orde en het algemeen maatschappelijk belang volstrekt ontoelaatbaar. Het is van belang dat er in dit handhavingsbeleid een onderscheid wordt gemaakt in drugshandel in (al dan niet voor het publiek toegankelijke) lokalen, onbewoonde woningen en drugshandel in bewoonde woningen. Zo zal de sluiting van een bewoonde woning de betrokkenen veel harder treffen dan de sluiting van bijvoorbeeld een café of loods. De bewoners worden immers dakloos. Of een ruimte als woning of lokaal moet worden aangemerkt in de zin van artikel 13b Opiumwet, is doorslaggevend of in de ruimte volgens de daaraan werkelijk gegeven bestemming gewoond wordt. Daarbij is niet de ‘planologische bestemming’ doorslaggevend – deze kan wel ondersteunend zijn, net als een BAG-registratie – maar het feitelijke gebruik van de ruimte en de bedoeling van de gebruiker met die ruimte. Stacaravans, woonschepen, woonwagens kunnen bijvoorbeeld voor bewoning gebruikt worden. Als er sprake is van een woning waarin kamerverhuur plaatsvindt en de illegale drugshandel in één van de verhuurde kamers is geconstateerd, dan wordt een gedeeltelijke sluiting van de woning overwogen. Indien er geen sprake is van een woning, wordt het pand dan wel de ruimte beschouwd als lokaal in de zin van dit beleid. Een leegstaande woning kan, zeker als deze feitelijk alleen als drugspand wordt gebruikt, als lokaal worden aangemerkt (ook bij schijnbewoning). Ook vallen de voor publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven (zoals winkels en horecabedrijven) en de niet voor publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven (zoals loodsen, magazijnen, garages en andere bedrijfsruimten) in deze categorie. Uitgangspunt is sluiten Het opleggen van een last onder bestuursdwang is een herstelsanctie in de zin van artikel 5:2 lid 1 onder b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De bestuursdwangbevoegdheid van de burgemeester is een discretionaire bevoegdheid. Een herstelsanctie is een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van de overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding. Toepassing ervan moet voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Onbewoonde woningen en lokalen worden bij het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs daarom gesloten. Hiermee wordt beoogd de loop naar het betreffende pand eruit te halen en de overtreding te beëindigen en herhaling van de overtreding te voorkomen. Daarnaast wordt hiermee ook een signaal aan de buitenwereld afgegeven dat het pand niet langer als verkoop-, aflever-, teelt- of opslagruimte voor drugs kan worden gebruikt en dat de gemeente Dalfsen de handel in drugs stevig aanpakt. Het uitgangspunt sluiten is anders bij bewoonde woningen. Daarbij speelt het hebben van woongenot en de daaraan gerelateerde privacy een erg prominente rol en grijpt het feitelijk dakloos worden van de betrokkenen erg in op de persoonlijke levenssfeer. Bij de handel in softdrugs wordt in beginsel met het oog op de proportionaliteit daarom eerst een bestuurlijke waarschuwing gegeven. Bij een tweede overtreding binnen 5 jaar na de eerste waarschuwing, volgt pas sluiting. In ernstige gevallen wordt geen waarschuwing gegeven en wordt direct overgegaan tot sluiting van de woning. Woningen die niet bewoond worden en enkel zijn gebruikt voor de handel in drugs (schijnbewoning) worden bij het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs meteen gesloten. Als er sprake is van vee dat moet worden verzorgd en verzorging door sluiting niet mogelijk is, wordt indien noodzakelijk voor het verzorgen van het vee een uitzondering gemaakt. Huur of koopwoning Zowel huurwoningen van woningcorporaties, woningen die particulier worden verhuurd als koopwoningen kunnen op grond van artikel 13b Opiumwet worden gesloten. Bij huurwoningen van een woningcorporatie behoort een verbod op het handelen in strijd met de Opiumwet tot de standaardclausules in het huurcontract. De woningcorporatie kan dan overgaan tot beëindiging van de huurovereenkomst. In overleg met de woningcorporatie zal worden besloten of het noodzakelijk is om het pand te sluiten (om de loop eruit te krijgen) of dat wordt besloten de woning te verhuren aan gegadigden die op de wachtlijst staan voor een huurwoning. Als particuliere verhuurders hun woning ter goede trouw hebben verhuurt, kan de burgemeester besluiten dat beëindiging van het huurcontract voldoende is en wordt niet tot sluiting van de woning overgegaan. Voor publiek opengestelde lokalen/gebouwen en bijbehorende erven Indien de overtreder van artikel 13b Opiumwet een ander is dan de eigenaar/uitbater/exploitant/huurder/verhuurder/medewerker van het voor publiek opengestelde lokaal/gebouw (bijvoorbeeld een horecabedrijf), zal eerst worden overgegaan tot een schriftelijke waarschuwing. Dit geldt niet als de beheerder/eigenaar/exploitant/huurder/ verhuurder op de hoogte was of kon zijn van de overtreding. Indien de eigenaar/uitbater/exploitant/huurder/medewerker zelf als overtreder kan worden aangemerkt dan zal de burgemeester onmiddellijk tot sluiting overgaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel