Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6.

Artikel 6.3.

Uitzondering op de handhavingsbepalingen

Onderdeel van Beleidsregels Artikel 13b Opiumwet Gemeente Winterswijk

Handel in voor publiek toegankelijke lokalen met erven buiten medeweten exploitant lokaliteit Het gaat in bovenstaande gevallen om de situatie dat de harddrugs worden verhandeld door de exploitant van de lokalen met erven (of zijn personeel) en niet om de situatie dat een bezoeker (zonder medeweten van de exploitant) in de lokalen of erven handelt. In onze gemeente is in het geval van voor publiek toegankelijke lokalen maar bij een beperkt aantal lokalen sprake van deurbeleid met beveiligers en er is dan ook slechts beperkte controle op de aanwezigheid van drugs bij bezoekers d.m.v. bijvoorbeeld fouilleren van bezoekers. Exploitanten van voor publiek toegankelijke lokalen kunnen gelet op het voorgaande niet altijd bekend zijn met (incidentele) handel van drugs door bezoekers. Om die reden wordt bij handel door bezoekers van een voor publiek toegankelijk lokaal met erf buiten medeweten van de exploitant (of diens medewerkers), als beleid gehanteerd dat bij een 1ste constatering altijd eerst een waarschuwing wordt gegeven. Bij een tweede constatering geldt het beleid zoals dat hiervoor weergegeven is (waarbij dus voor “1ste constatering” gelezen moet worden “2de constatering”. Als een horeca exploitant zelf handel in zijn inrichting constateert, actief optreedt (door verwijdering en een lokaalverbod) en het vervolgens (b.v. in het kader van een met deze ondernemer gesloten convenant) zelf meldt, zal dit niet als een “constatering” in de zin van dit beleid worden gezien. Vindt er echter structureel handel plaats in een inrichting en blijkt dat de horeca ondernemer het feitelijk niet onder controle heeft, dan kan alsnog worden besloten tot sluiting. Zoals gezegd beperkt de uitzondering zich tot voor publiek toegankelijke lokalen. Het geldt niet voor loodsen, hallen, magazijnen, schuren en dergelijke die niet voor publiek toegankelijk zijn. Verhuursituaties Is er sprake van een situatie dat een woning of een lokaal met erf wordt verhuurd, dan kan de verhuurder de huurovereenkomst op grond van artikel 7:231 lid 2 BW ontbinden. In situaties waarin er sprake is van verhuur, is het mogelijk dat de verhuurder niet op de hoogte was van de overtreding van de Opiumwet en hiervan ook redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn. Maakt de verhuurder aannemelijk dat dit het geval is, dan kan de termijn van sluiting worden verkort. De termijn kan worden verkort als de rechter in een ontbindingsprocedure op grond van art. 7:231 lid 2 BW de ontbinding van de huurovereenkomst heeft uitgesproken. Uitgangspunt dient wel te zijn dat het ontruimingsvonnis uitvoerbaar is en ook daadwerkelijk door de verhuurder wordt uitgevoerd. Vanaf de dag na de datum van de feitelijke ontruiming door de eigenaar, kan de burgemeester dan besluiten om het handhavingsbesluit per die datum in te trekken. Vertrekt een huurder vrijwillig dan kan eveneens de datum van de ontruiming worden aangehouden. Wordt bij eenzelfde onroerende zaak bij verschillende (al dan niet opvolgende) huurders geconstateerd dat er handel in drugs plaatsvindt, dan kan dit aanleiding zijn om af te zien van verkorting van de sluitingstermijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel