Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk III

Artikel 19

Uitkering bij overlijden

Onderdeel van Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2007 (8.7)

1.. Onder nabestaande wordt in dit artikel verstaan: de weduwe, weduwnaar of nabestaande levenspartner(s) met wie het overleden raadslid samenwoonde op basis van een samenlevingscontract. 2.. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een raadslid wordt aan de nabestaande als bedoeld in het eerste lid, ten laste van de gemeente een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de vaste vergoeding voor werkzaamheden als raadslid over een tijdvak van drie maanden, zoals bepaald in artikel 3 van deze verordening zoals die gold ten tijde van het overlijden. 3.. Laat de overledene geen nabestaande na als bedoeld in het eerste lid, dan wordt even bedoeld bedrag uitgekeerd ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen van de overledene, of minderjarige kinderen waarover de overledene ten tijde van het overlijden de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broers of zusters, ten behoeve van deze betrekking. 4.. Laat de overledene geen betrekking als bedoeld in het tweede en derde lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging voor zover de nalatenschap voor de betaling van die kosten niet toereikend wordt geacht.

Rechtspraak bij dit artikel