Naar hoofdinhoud
Bij het beoordelen van aanspraken moet worden gekeken naar: Is de cliënt ingezetene van de gemeente? Valt de cliënt onder de doelgroep van de wet? Zijn er andere mogelijkheden, zoals de eigen kracht, mantelzorger(s) of iemand uit het sociale netwerk? Is sprake van gebruikelijke hulp? (m.n. bij huishoudelijke ondersteuning en begeleiding) Zijn er - deels - voorliggende voorzieningen beschikbaar? Zijn er - deels - algemeen gebruikelijke voorzieningen beschikbaar? Zijn er - deels - algemene voorzieningen beschikbaar § 3.1.1 Ingezetene (ARTIKEL 3.2 onder b VERORDENING) Een tweede belangrijk uitgangspunt met betrekking tot het vaststellen van de doelgroep heeft te maken met het feitelijke woon- en verblijfadres van de cliënt. Een gemeente is voor wat betreft de hoofddoelen zelfredzaamheid en participatie namelijk alleen verantwoordelijk indien een cliënt ingezetene is van de betreffende gemeente met uitzondering van de doelgroep zoals genoemd in 4.4.3.4. § 3.1.2 Doelgroep Het college moet tevens beoordelen of de cliënt behoort tot de doelgroep van de wet. De doelgroep bestaat uit personen die in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam zijn of in staat zijn tot participatie. Kinderen die jonger zijn dan 18 jaar vallen, voor wat betreft maatwerkvoorzieningen, alleen onder de wet als het gaat om hulpmiddelen en woningaanpassingen. Voor het overige vallen ze (grotendeels) onder de Jeugdwet. § 3.1.3 Eigen verantwoordelijkheid (ARTIKEL 3.1 lid 2 VERORDENING) De eigen verantwoordelijkheid van de ingezetene is een belangrijke pijler van de wet. De wet is uitsluitend bedoeld om mogelijkheden te bieden door middel van voorzieningen als het niet in iemands eigen vermogen ligt het probleem zelf of met hulp van mantelzorgers, huisgenoten en personen uit het sociale netwerk op te lossen. Tot die eigen verantwoordelijkheid van de ingezetene behoort ook dat hij een beroep doet op familie en vrienden – zijn eigen sociale netwerk – alvorens hij bij de gemeente aanklopt voor hulp. Het is immers heel normaal dat mensen iets doen voor hun partner, familielid of goede vriend als die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Met de Wmo 2015 wil de regering het automatisme doorbreken dat ingezetenen zich bij elke hulpvraag tot de overheid wenden. Uitgangspunt van de wet is dat iedere ingezetene eerst kijkt wat hij zelf kan doen, wat zijn sociale omgeving voor hem kan doen of wat hij zelf voor een ander kan doen. Onder de eigen verantwoordelijkheid wordt de eigen kracht, de hulp van mantelzorgers, de hulp van personen uit het sociale netwerk en gebruikelijke hulp verstaan. Eigen verantwoordelijkheid betekent bijvoorbeeld de aanschaf en het gebruik van zoveel mogelijk strijkvrije kleding om onnodig beroep op een hulp te voorkomen. Nieuwe technische mogelijkheden, zoals een robotstofzuiger, kunnen bekeken worden en bieden mogelijk een oplossing waardoor iemand meer zelf kan gaan doen in huis. Ook bij woonvoorzieningen speelt de eigen verantwoordelijkheid een grote rol. Naarmate mensen ouder worden, mag van mensen worden verwacht dat ze daarmee rekening houden. Ouderdom komt immers met gebreken. Zo mag een gemeente veronderstellen dat de oudere die de badkamer gaat renoveren - ook al zijn er nog geen beperkingen - rekening houdt met het gegeven dat hij een dagje ouder wordt. Dat betekent dat de persoon in kwestie aan een douche (met douchestoel) moet denken in plaats van uitsluitend een bad. Daar spelen allerlei individuele factoren natuurlijk in mee, zoals is er plaats voor een douche, speelt het bad een specifieke rol, etc. Een ander voorbeeld van de eigen verantwoordelijkheid is dat er bij het vergroten van de woning er van uit mag worden gegaan dat de eigenaar van de woning zijn opstalverzekering aan de hogere herbouwwaarde van de woning aanpast. Indien in een woning een traplift, een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd was, dan kan als gevolg hiervan geen beroep op de wet worden gedaan. § 3.1.4 Gebruikelijke hulp (ARTIKEL 3.1 LID 2 ONDER B VERORDENING) Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening indien de cliënt huisgenoten heeft die wel in staat zijn hulp te bieden bij bijvoorbeeld het voeren van een gestructureerd huishouden of het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen. Dit wordt gebruikelijke hulp genoemd (zie uitgebreider 4.1.2.4). § 3.1.5 Voorliggende voorzieningen (ARTIKEL 3.1 LID 2 ONDER F EN 3.2 LID 2 ONDER E VERORDENING) Voorliggende voorzieningen zijn voorzieningen op grond van een andere wet die aan de verstrekking van een maatwerkvoorziening in de weg staan. Een voorliggende voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening voor zover deze voorliggende voorziening een passende en toereikende oplossing biedt of de kosten van de maatwerkvoorziening als niet noodzakelijk heeft aangemerkt. Dat laatste is bijvoorbeeld het geval bij een rollator die in de Zorgverzekeringswet als niet noodzakelijk is aangemerkt. Bij voorliggende voorzieningen kan onder andere gedacht worden aan: Zittend ziekenvervoer op grond van de Zorgverzekeringswet; Hulpmiddelen op grond van de Zorgverzekeringswet; Verblijfsindicatie op grond van de Wet Langdurige Zorg Er moet in elke individuele situatie worden beoordeeld of de voorliggende voorziening toereikend en passend is. Is dat niet of deels het geval, dan wordt gekeken naar een andere oplossing. Indien de cliënt geen gebruik wenst te maken van een voorliggende voorziening, kan dat niet tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening leiden. Of de cliënt dan daadwerkelijk de betreffende voorliggende voorziening zal gaan gebruiken behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Verblijfsindicatie op grond van de Wet Langdurige zorg Het college mag een maatwerkvoorziening weigeren indien de cliënt een aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg ingevolge de Wet langdurige zorg. Het is zelfs mogelijk te weigeren indien er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande (artikel 2.3.5 lid 6 van de wet). Uitzonderingen Er zijn twee uitzonderingen op deze hoofdregel: De hoofdregel geldt niet voor cliënten met een laag zorgzwaartepakket (zzp), die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Wlz nog niet in een instelling verblijven. Onder cliënten met een laag zzp worden verstaan: cliënten die zijn aangewezen op een zorgzwaartepakket 1 VV, 2 VV, 3 VV, 4 VV, 3 LG, 1 ZGaud, of 1 ZGvis, dan wel, voor een meerderjarige cliënt, op een zorgzwaartepakket 1 VG, 2 VG of 3 VG. De hoofdregel geldt in 2015 niet voor cliënten met een (mogelijke) aanspraak op verblijf die: thuis wonen en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel of een woningaanpassing hebben aangevraagd; zonder behandeling in een instelling verblijven en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel ter verbetering van hun mobiliteit hebben aangevraagd. § 3.1.6 Algemeen gebruikelijke voorzieningen (ARTIKEL 3.2 ONDER A VERORDENING) Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening indien de maatwerkvoorziening voor de persoon van de cliënt algemeen gebruikelijk is. Met het criterium algemeen gebruikelijk wordt beoogd te voorkomen dat het college een voorziening verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van betrokken cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken. Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die voldoet aan de volgende criteria: de voorziening is in de reguliere handel verkrijgbaar; de voorziening is niet speciaal voor personen met een beperking bedoeld; de voorziening is die niet duurder is dan vergelijkbare producten. Er moet altijd in het individuele geval worden bekeken of de voorziening ook voor de cliënt algemeen gebruikelijk is. Bij de afzonderlijke resultaten wordt specifieker ingegaan op algemeen gebruikelijke voorzieningen. Uitzondering In individuele gevallen kan een voorziening die op zichzelf als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd, vanwege omstandigheden aan de kant van de cliënt toch niet als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Deze uitzondering kan zich voordoen indien: de cliënt een inkomen heeft dat door aantoonbare kosten van de beperkingen onder de voor hem/haar geldende bijstandsnorm ligt een nog niet afgeschreven zaak ten gevolge van een plotseling optredende beperking moet worden vervangen. § 3.1.7 Algemene voorzieningen (ARTIKEL 3.1 LID 2 ONDER E VERORDENING) Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Algemene voorzieningen kunnen privaat zijn, publiek of een combinatie van beide. Bij algemene voorzieningen gaat het vaak om voorzieningen die op de een of andere laagdrempelige wijze via dienstverlening worden aangeboden. Enerzijds kan bijvoorbeeld gedacht worden aan rolstoel- of scootmobielpools en anderzijds aan zaken als een klussendienst, een boodschappenservice, een was- en strijkservice, een maaltijdbezorgdienst, et cetera. De cliënt komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening indien er een algemene voorziening is die: daadwerkelijk beschikbaar is voor de cliënt; financieel gedragen kan worden door de cliënt; Het college moet beoordelen of de cliënt in redelijkheid de algemene voorziening kan betalen. Het is vervolgens aan de cliënt om dit te weerleggen. De cliënt moet aannemelijk maken dat de algemene voorziening financieel niet gedragen kan worden. passend en toereikend is voor de cliënt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel