Naar hoofdinhoud
§ 4.6.1 Omschrijving resultaat Een vervoersvoorziening is een voorziening ter compensatie van beperkingen bij het zich verplaatsen in de directe woon- en leefomgeving. De directe woon- en leefomgeving kan het beste beschreven worden in te bereiken bestemmingen. Het gaat daarbij om 15-20 km rond de woning, dat is ongeveer 5 OV-zones (met uitzondering van de puntbestemmingen). De cliënt moet 1500-2000 kilometer kunnen afleggen. Daarbij mag rekening gehouden worden met de combinatie van eventueel verstrekte individuele voorzieningen die zijn verstrekt. Uniforme resultaatomschrijving: Client kan zich verplaatsen in de directe woon- en leefomgeving § 4.6.2 Beoordelingskader Bij het beoordelen van de aanspraak wordt gekeken naar het algemene beoordelingskader (zie § 3.1), de algemene toegangscriteria (zie § 3.2) en algemene weigeringsgronden (zie § 3.3). Daarnaast moet worden beoordeeld of de cliënt voldoet aan de geldende criteria (zie 4.6.2.2). 4.6.2.1Algemeen gebruikelijk (zie ook § 3.1.6) Er moet altijd in het individuele geval worden bekeken of de voorziening ook voor de cliënt algemeen gebruikelijk is. Enkele voorzieningen zijn die vaak algemeen gebruikelijk zijn: fiets met lage instap automatische transmissie in auto bromfiets elektrisch aangedreven fiets fiets fiets met hulpmotor snorfiets bakfiets tandem (met hulpmotor) kinderbuggy fietsbuggy/fietskar/fietszitje autostoeltje Bovenstaande opsomming is niet uitputtend. 4.6.2.2Voldoet de cliënt aan de geldende criteria? Openbaar vervoer bereikbaar en bruikbaar De cliënt komt in aanmerking voor een vervoersvoorziening indien hij het openbaar vervoer niet kan bereiken of gebruiken. Het criterium ‘bereiken van het openbaar vervoer’ is door de CRvB geoperationaliseerd middels het loopafstandscriterium “maximale” loopafstand van 800 meter. Kan de cliënt 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo 800 meter lopen, dan wordt de cliënt in staat geacht het openbaar vervoer te kunnen bereiken. Kan de cliënt het openbaar vervoer bereiken, maar is het onmogelijk het openbaar vervoer te gebruiken, bijvoorbeeld omdat de cliënt niet in het openbaar vervoer kan komen, dan kan er aanleiding zijn wel een vervoersvoorziening te treffen. Er vindt altijd een individuele beoordeling plaats, waarbij wordt gekeken naar de vervoersbehoefte, de daadwerkelijke afstand tot de halte etc. § 4.6.3 Overige aspecten 4.6.3.1Primaat collectief vervoer (artikel 3.4 Verordening) Bij vervoersvoorzieningen geldt het primaat van het collectief vervoer. Dat betekent dat eerst wordt bekeken of de cliënt in staat is gebruik te maken van het collectief vervoer. Pas indien de cliënt geen gebruik daarvan kan maken of wanneer collectief vervoer geen passende voorziening is, wordt een andere maatwerkvoorziening verstrekt. De vraag of het collectief vervoer als voorziening voldoet aan de compensatieplicht, kan slechts beantwoord worden op grond van een onderzoek naar de (inventarisatie van) beperkingen, maar ook de persoonskenmerken en vervoersbehoeften van de cliënt. Er moet een afweging worden gemaakt tussen de vervoersmogelijkheden van het collectief vervoer en de kenmerken van de cliënt alsmede zijn beperkingen en vervoersbehoeften, rekening houdend met de vraag op welke wijze het behoud of het bevorderen van zelfredzaamheid of de deelname aan het maatschappelijk verkeer bereikt wordt. 4.6.3.2Aanvullende vervoersvoorziening In voorkomende gevallen is het alleen aanbieden van het collectief vervoer niet voldoende. Dat geldt voor personen die geen gebruik kunnen maken van een (snor-, brom-, of driewiel-)fiets en die maximaal 100 meter kunnen lopen. Deze personen komen in beginsel in aanmerking voor een aanvullende vervoersvoorziening die bedoeld is voor de korte afstanden. Bij personen die geen gebruik kunnen maken van een (snor-, brom-, of driewiel-)fiets én meer dan 100 meter kunnen lopen, zal het college beoordelen of een aanvullende voorziening voor de korte afstand noodzakelijk is. 4.6.3.3Vervoersbestemmingen Het gaat in beginsel om verplaatsingen in het kader van het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer of te wel het vervoer in het kader van het leven van alledag. Dat zijn de verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen. Recreatieve verplaatsingen Recreatieve verplaatsingen kunnen deel uitmaken van het dagelijkse patroon van het leven van alledag. In dat geval wordt met het treffen van een vervoersvoorziening ook met deze bestemmingen rekening gehouden. Vervoer in verband met werk Bij de beoordeling van aanspraken op vervoersvoorzieningen in verband met werk wordt eerst gekeken naar voorliggende voorzieningen. Voor mensen die in dienstbetrekking werken (en mogelijk voor zelfstandigen) zijn er voorliggende voorzieningen. Vervoer in verband met het volgen van onderwijs Voor het vervoer in verband met onderwijs zijn er voorliggende voorzieningen, zoals het leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving en voorzieningen die via het UWV worden verstrekt, de voormalige Wet-Rea-voorzieningen. Vervoer van kinderen door ouders met een beperking Bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen moet rekening worden gehouden met het verzorgen van kinderen door ouders met een beperking. Daarbij kan echter ook rekening worden gehouden met alternatieven voor vervoer door de ouders zelf, zo stelt de Centrale Raad van Beroep. Het naar school brengen van kinderen gebeurt vaak op toerbeurt door ouders en het valt niet in te zien dat ouders hier niet aan mee zouden kunnen doen. Een individuele afweging is noodzakelijk. Begeleiding bij het vervoer van Wlz-bewoners Bij begeleiding bij het vervoer van Wlz-bewoners kan rekening gehouden worden met de agogische taak van personeel van de instelling, met name bij gezinsvervangende tehuizen en ook bij grotere Wlz-instellingen. Ook kan beoordeeld worden of het vervoer begeleid zou kunnen worden door vrijwilligers, mits die gegarandeerd aanwezig zijn. Bovenregionaal vervoer voor WLZ-bewoners Uitgangspunt is een gelijke plicht tot verstrekking van vervoervoorzieningen aan Wlz-bewoners en overige bewoners van de gemeente. Dat betekent alleen vervoersvoorzieningen voor lokaal vervoer en slechts bij wijze van uitzondering - bij dreigende vereenzaming - voor bovenregionaal vervoer. De CRvB oordeelt dat uitgegaan mag worden van bezoek om en om, dus de ene week bezoek van de ouders aan de instelling, de andere week bezoek van de Wlz-bewoners aan het ouderlijk huis. Recreatief vervoer voor Wlz-bewoners vanuit het ouderlijk huis waar cliënt niet woont valt niet onder de wet. Dat is ook logisch, omdat dit het verplaatsen in de directe woonomgeving (wat immers de instelling is) ver te boven gaat. § 4.6.4 Vervoersvoorziening 4.6.4.1Soorten vervoersvoorzieningen Bij het maken van de keuze gericht op het compenseren van beperkingen bij het verplaatsen per vervoermiddel moet ermee rekening gehouden worden dat deze in beginsel gericht is op het sociaal vervoer, ook wel “vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving”. Bij het opstellen van een programma van eisen en de selectie moet rekening gehouden worden met de vervoersbehoefte, frequentie, de sociale en de medische omstandigheden. In onderstaande is een overzicht van verschillende voorzieningen en aandachtpunten. De opsomming is niet limitatief. Bij alle vervoersvoorzieningen gelden een aantal algemene uitgangspunten: Gebruik van algemeen gebruikelijke voorzieningen is medisch gezien niet mogelijk. Bij een individuele maatwerkvoorziening, zoals een driewielfiets of scootmobiel, moet er voldoende verkeersinzicht zijn om veilig aan het verkeer te kunnen deelnemen. Bij individuele maatwerkvoorzieningen kan onder andere gedacht worden aan een scootmobiel, een driewielfiets, een bruikleenauto, een auto-aanpassing of een gesloten buitenwagen. Collectief vervoer Collectief vervoer is vervoer van deur tot deur voor mensen met een beperking. Met collectief vervoer kan op een eenvoudige manier gereisd worden binnen de regio naar bijvoorbeeld familie, het winkelcentrum of naar het station. Collectief vervoer wil zeggen dat er zoveel mogelijk samen in dezelfde richting wordt gereisd. Door samen te reizen is het vervoer goedkoper dan individueel taxivervoer. Aanvullende beoordelingscriteria niet in staat zijn om in en uit te stappen bij het gebruik van het openbaar vervoer lijden aan een verstandelijke handicap/psychische problematiek (dus ook dementie) lijden aan visuele problematiek (slechtziend/blind) en daardoor niet zelfstandig (zonder begeleiding) gebruik kunnen maken van het Openbaar Vervoer. Bij speciale gevallen, bij bijvoorbeeld psychische problemen, ernstige lichamelijke beperkingen kan Regiotaxi gecontra-indiceerd zijn, waardoor individueel vervoer geïndiceerd zou kunnen zijn. Voor individueel vervoer zal in principe medisch advies opgevraagd worden. In de praktijk blijkt dat er personen met beperkingen zijn die met begeleiding kunnen deelnemen aan het openbaar vervoer. Een persoon met beperkingen dient in principe zelf zijn begeleiding te organiseren. De gemeente kan ondersteuning bieden bij het zoeken naar begeleiding en namens de aanvrager contact leggen met bijvoorbeeld de vrijwilligerscentrale, thuishulpcentrale of de vereniging Zonnebloem. Niettemin kan er sprake zijn van een uitzonderlijke situatie waarin een aanvrager niet (altijd) de beschikking heeft over begeleiding. Slechts in uitzonderingsgevallen, als aanvrager aannemelijk kan maken dat er sprake is van geen of onvoldoende begeleiding, verstrekken wij een deelnemerspas van het collectieve vervoersysteem (natuurlijk zonder medische begeleiderspas!). Deze groep aanvragers kan dan zonder begeleiding deelnemen aan het collectieve systeem. Aantal zones Dit is binnen het collectief vervoer vertaald in een toekenning van maximaal 590 zones per jaar. Een uitzondering op het aantal zones kan worden gemaakt vanwege de persoonlijke situatie of vervoersbehoefte van de cliënt. Zo kan een uitzondering worden gemaakt indien: de partner van de cliënt in een instelling verblijft, of bij frequent bezoek aan ziekenhuis/arts/fysiotherapeut, of de cliënt deelneemt aan begeleiding groep, psychiatrische problematiek, en daarvoor gebruik moet maken van het collectief vervoer, of vanwege deelname aan HuiskamerPlus. Bij het vaststellen van het aantal zones wordt gekeken naar de vervoersbehoefte van de cliënt. Daarbij wordt ook gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van andere voorzieningen of de leefsituatie van de cliënt. Daarbij kan gedacht worden aan de volgende mogelijkheden: scootmobiel, bewoning Wlz-instelling en indicatie huishoudelijk hulp voor het doen van boodschappen of aanwezigheid boodschappenservice. Indien de vervoersbehoefte deels of geheel op een andere wijze dan met collectief vervoer kan worden opgelost dan kan dit vertaald worden in zones en in mindering worden gebracht op het toe te kennen zonebudget. Er vanuit gaande dat daarmee wel aan de totale compensatie van 1500-2000 km op jaarbasis wordt voldaan. Medische begeleiding Indien een individuele persoon met beperkingen tijdens het vervoer begeleiding nodig heeft, en in het bezit is van een zogenaamde NS-begeleiderskaart, mag 1 begeleider gratis mee in het collectieve vervoersysteem. Hierbij dient rekening gehouden te worden met het feit dat de chauffeur reeds assistentie verleent bij het in- en uitstappen en verplaatsen van de deur naar het voertuig en vice versa. Voor deze activiteiten is derhalve geen begeleider noodzakelijk. De noodzaak voor begeleiding dient duidelijk vastgesteld te worden. Open elektrische buitenwagen Een open elektrische buitenwagen is ofwel een speciale elektrische rolstoel, ofwel een zogenaamde scootmobiel. Het gebruiksgebied betreft de korte afstand en is derhalve aanvullend op het openbaar- en/of collectief vervoer. Criteria Een open elektrische buitenwagen is geïndiceerd indien de cliënt: zonder begeleider zelf zijn bestemming kan bepalen en vinden; regelmatig korte afstanden buitenshuis moet afleggen; niet in staat is om in een rustig tempo 500 meter te kunnen lopen; tegen weersinvloeden bestand is gedurende een groot deel van het jaar; kan in- en uitstappen (overschuiven); een goede zitbalans heeft; beschikt over stallings- en opladingsmogelijkheden; het voertuig kan bedienen en besturen. 4.6.4.2Vorm van de voorziening Bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen kan onderscheid gemaakt worden tussen twee vormen: vervoersvoorziening in natura Collectief vervoer wordt in natura verstrekt. Vervoersvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget Een persoonsgebonden budget is niet mogelijk indien de cliënt is aangewezen op collectief vervoer.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel