Het is een ieder verboden voorzieningen of voorwerpen in, op, onder of boven water te hebben, te plaatsen of aan te brengen, indien daardoor –naar het oordeel van het Dagelijks bestuur, gevaar, schade of hinder kan ontstaan.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien het betreft het hebben, plaatsen of aanbrengen van scheepstoebehoren en voorzieningen die dienen, en als zodanig in gebruik zijn, om een schip te laden en te lossen.
Het Dagelijks Bestuur kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
Paragraaf 3
Artikel 3.11