**1..** Bij het opleggen van een boete wordt rekening gehouden met de draagkracht.
**2..** Uitgangspunt is dat de boete door belanghebbende met de beschikbare draagkracht binnen redelijke termijn kan worden voldaan. Hiervoor wordt de boetehoogte met behulp van fictieve draagkracht bepaald.
**3..** De boetehoogte wordt berekend door de financiële ruimte boven 90% van de toepasselijke bijstandsnorm te vermenigvuldigen met het aantal maanden gebaseerd op de aard van de gedraging.
**4..** Het aantal maanden genoemd in het derde lid bedraagt:
bij opzet als bedoeld in artikel 3, lid 3, onderdeel a: 24 maanden;
bij grove schuld als bedoeld in artikel 3, lid 3, onderdeel b: 18 maanden;
bij normale verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 3, lid 3, onderdeel c: 12 maanden;
bij verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 3, lid 3, onderdeel d: 6 maanden.
**5..** Indien er sprake is van recidive als genoemd in artikel 4 dan wordt het aantal maanden als genoemd in het vierde lid verhoogd met factor 1,5.
**6..** Indien ten tijde van het opleggen van de boete blijkt dat er bij belanghebbende sprake is van aangetoond vermogen, dan kan er ten behoeve van de afstemming van de boete op grond van de leden 1 tot en met 5 van dit artikel, van uitgegaan worden dat dat aangetoonde vermogen geheel beschikbaar is om de boete zoals vastgesteld op grond van de artikelen 3, 4 en 5 van deze beleidsregels te voldoen. Het deel van de boete dat het totaalbedrag van het aangetoonde vermogen overschrijdt kan op grond van dit artikel worden afgestemd.