Bij de invordering van gemeentelijke belastingen is hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990 van toepassing. Dit betekent dat invorderingsrente moet worden berekend indien na de laatste betalingstermijn niet of te weinig is betaald.
Het betaalde bedrag vormt het maximum bedrag waarover invorderingsrente wordt vergoed en wordt eventueel verminderd met een nog openstaand bedrag van de belastingaanslag of het gevorderde bedrag.
Het college van burgemeester en wethouders moet een besluit nemen over de vast te stellen percentages voor in rekening te brengen en te vergoeden invorderingsrente. De hoogte van de percentages kan het college in beginsel zelf vaststellen. Artikel 29 van de Invorderingswet 1990 maakt het mogelijk om ten aanzien van de invorderingsrente te differentiëren tussen het percentage van de te vergoeden rente en het percentage van de in rekening te brengen rente. Vanwege de eenheid van beleid menen wij dat het wenselijk is om zoveel mogelijk de rentepercentages van het Rijk te volgen. Daarom wordt de amvb bedoeld in artikel 29 van de Invorderingswet 1990 van overeenkomstige toepassing verklaard.
Krachtens artikel 30 van de Invorderingswet 1990 moet het bedrag van de invorderingsrente bij voor bezwaar vatbare beschikking worden vastgesteld.
Ingevolge artikel 231, derde lid, van de Gemeentewet dient voor ministeriële regeling te worden gelezen: collegebesluit. Het college dient dus over de toepassing van de invorderingsrente regels te stellen. In verband hiermee is in de uitvoeringsregeling ervoor gekozen de ministeriële regeling (de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990) van overeenkomstig toepassing te verklaren.