Het college kan op grond van de wet (Wmo artikel 2.3.6) een PGB verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een PGB alleen wordt verstrekt indien de bewoner dit gemotiveerd vraagt (Wmo artikel 2.3.6, tweede lid, onder b).
In de wet (Wmo artikel 2.1.3 lid 2 sub b) staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een PGB wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn.
De gemeente heeft de mogelijkheid om een differentiatie aan te brengen in de hoogte van het PGB. Er kunnen verschillende tarieven gehanteerd worden voor verschillende vormen van ondersteuning.
Het tarief voor PGB is lager dan het tarief voor zorg in natura, omdat de zorgaanbieder die op basis van een PGB werkt lagere overheadkosten heeft.
Het tarief voor een PGB middels informele ondersteuning is lager dan voor een PGB middels formele ondersteuning, omdat aan informele ondersteuning lagere deskundigheids- en kwaliteitseisen worden gesteld.
Het derde lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren.
Een aanvraag voor een PGB kan geweigerd worden voor zover de kosten van het PGB hoger zijn dan de kosten van de individuele maatwerkvoorziening (Wmo artikel 2.3.6 lid sub a). De situatie waarin het door de bewoner beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het PGB om die reden geheel geweigerd kan worden. Bewoners kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder hoger is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het PGB slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod.
Ten aanzien van het zesde lid is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder het sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.