Naar hoofdinhoud

Artikel 21.

Vervoersvoorziening

Onderdeel van Beleidsregels Wmo 2018 gemeente Leeuwarden

Om te bepalen of een Vervoersvoorziening voor de bewoner toegankelijk en passend is, worden, naast het Algemene toetsings- en afwegingskader, de volgende aspecten getoetst en/of gewogen: 1. aard van de beperking: de bewoner heeft als gevolg van zijn beperking belemmeringen in het zich zelfstandig buitenshuis verplaatsen op korte en/of langere afstanden. 2. vervoersbehoefte: De bewoner heeft ten behoeve van zijn zelfredzaamheid en participatie een zelfstandige vervoersbehoefte voor korte en/of langere afstand en kan hiervoor vanwege zijn beperking geen gebruik maken van algemene (gebruikelijke) voorzieningen, zoals een fiets, brommer, auto en/of het openbaar vervoer. Uitgangspunt is dat volwassenen en kinderen vanaf 12 jaar een zelfstandige vervoersbehoefte hebben. Kinderen jonger dan 5 jaar hebben geen zelfstandige vervoersbehoefte, omdat de ouders hen kunnen meenemen zonder dat een voorziening hoeft te worden getroffen. Kinderen van 5 tot en met 11 jaar hebben in beginsel ook geen zelfstandige vervoersbehoefte, zij worden bij het zich verplaatsen bijna steeds begeleid door de ouders. 3. vorm van de vervoersvoorziening: Op basis van de vervoersbehoefte en de aard van de beperking van de bewoner wordt bepaald welke voorziening of welke combinatie van voorzieningen het meest passend is. We kennen de volgende vervoersvoorzieningen: a. bijzondere fiets: Een bijzondere fiets is een aan de beperking van de bewoner aangepaste fiets. Fietsen die algemeen verkrijgbaar zijn worden als algemeen gebruikelijke voorziening beschouwd. Daarmee worden in elk geval de volgende fietsen als algemeen gebruikelijke voorziening beschouwd: fiets met lage instap, ligfiets, spartamet, elektrische fiets, bakfiets, fietskar en aanhangfiets. b. scootmobiel: Een scootmobiel is een vervoersvoorziening die voorziet in een vervoersbehoefte in de directe omgeving van de eigen woning, voor activiteiten als boodschappen doen, bezoek aan personen uit het sociaal netwerk of een vorm van dagbesteding. Deze vervoersvoorziening kan indien nodig gecombineerd worden met collectief lokaal vervoer/PGB lokaal vervoer. Om te bepalen of een scootmobiel voor de bewoner een passende voorziening is en welke scootmobiel passend is, worden de volgende aspecten gewogen: I. Kan de bewoner zonder begeleider zelf zijn bestemming bepalen en vinden. II. Is de bewoner bestand tegen de weersinvloeden gedurende het jaar. Er wordt geen schootskleed verstrekt. III. Kan de bewoner in- en uitstappen en heeft de bewoner een goede zitbalans. IV. Kan de bewoner de scootmobiel bedienen en besturen. V. Wat is de goedkoopst adequate voorziening. Afhankelijk van de vervoersbehoefte en de beperking van de bewoner wordt beoordeeld wat de goedkoopst adequate scootmobiel is en daarmee ook welke maximum snelheid volstaat. Indien de bewoner een duurdere scootmobiel wenst, betaalt de bewoner het meerdere zelf. VI. De kosten van de voorziening. De kosten van service, onderhoud en reparatie maken onderdeel uit van de verstrekking van de voorziening, tenzij de schade als gevolg van verwijtbaar gedrag of nalatigheid is ontstaan. De kosten voor de reparatie van de voorziening als gevolg van verwijtbaar gedrag of nalatigheid zijn voor rekening van de bewoner zelf. De kosten van het opladen van een scootmobiel worden beschouwd als algemeen gebruikelijke kosten en zijn voor rekening van de bewoner zelf. c. collectief lokaal vervoer: Collectief lokaal vervoer is een vervoersvoorziening die voorziet in een vervoersbehoefte voor korte of langere afstanden. Indien de bewoner een (medische) indicatie heeft kan de bewoner een vervoerspas voor het collectief lokaal vervoer krijgen, waarmee tegen een lager tarief kan worden gereisd. Zonder (medische) indicatie kan de bewoner ook van het vervoerssysteem gebruik van maken, maar is dan het marktconform tarief verschuldigd. Het collectief lokaal vervoer heeft de volgende kenmerken: I. Het vervoersgebied is in principe maximaal 25 kilometer vanuit het woonadres; Indien het collectief lokaal vervoer de vervoersbehoefte onvoldoende compenseert, zal beoordeeld worden of naast of in plaats van deze voorziening een andere voorziening verstrekt moet worden. Het verstrekken van een indicatie voor collectief lokaal vervoer buiten het vervoersgebied gebeurt slechts wanneer een contact buiten het vervoersgebied noodzakelijk is om vereenzaming te voorkomen. Indien de bewoner zonder indicatie reist buiten het vervoersgebied betaalt de bewoner het meerdere zelf. II. Voor vervoer buiten het vervoersgebied kan de bewoner gebruik maken van Valys (landelijke vervoersaanbieder). Aansluiting op de Valys is gegarandeerd. III. Op jaarbasis mag er in principe maximaal 1500 kilometer per persoon gereisd worden; De bewoner die ook een scootmobiel als vervoersvoorziening verstrekt krijgt, ontvangt voor de voorziening collectief lokaal vervoer 50% van het totaal aantal kilometers. IV. Het vervoer is oproep gestuurd. V. Het vervoer is toegankelijk voor verschillende typen hulpmiddelen, zoals een rollator, rolstoel of scootmobiel. VI. Er kan samen met anderen worden gereisd. VII. Het betreft deur-tot-deur vervoer. VIII. De chauffeur verleent in- en uitstaphulp. IX. Op (medische) indicatie mag een begeleider mee. Een (medische) indicatie voor begeleiding kan worden afgegeven om bijvoorbeeld mogelijke gevaarlijke situaties voor de bewoner, de chauffeur of overige passagiers te voorkomen. De begeleider op (medische) indicatie reist gratis mee op een ‘vervoerspas met begeleiding’. Zonder (medische) indicatie kan een begeleider ook gebruik maken van het vervoerssysteem, maar dan is het marktconform tarief verschuldigd. X. Kinderen onder de vier jaar (maximaal twee per rit) mogen gratis meereizen. XI. Een blindegeleidehond of hulphond mag (gratis) mee vervoerd worden. d. PGB lokaal vervoer: Indien een bewoner een indicatie voor collectief lokaal vervoer heeft ontvangen, heeft deze bewoner de keuze om in plaats van collectief lokaal vervoer in de vorm van Zorg in natura te kiezen voor een PGB lokaal vervoer. Indien de bewoner om medische redenen geen gebruik kan maken van het collectief lokaal vervoer en een ander verplaatsingsmiddel ook onvoldoende een oplossing biedt, is ook een PGB lokaal vervoer mogelijk. De hoogte van het PGB is, afhankelijk van het feit of de bewoner al dan niet rolstoel gebonden is, gebaseerd op de kosten van het gebruik van een particuliere auto, taxi of een rolstoeltaxi. Het vervoersgebied (25 km vanuit het woonadres) en het aantal kilometers (maximaal 1500 kilometer op jaarbasis) dat vergoed wordt is gelijk aan het aantal kilometers dat gehanteerd wordt voor het collectief lokaal vervoer. De bewoner die ook een scootmobiel als vervoersvoorziening verstrekt krijgt, ontvangt voor het PGB lokaal vervoer 50% van het totaal aantal kilometers. Indien partners beiden in aanmerking komen voor PGB lokaal vervoer en hun vervoersbehoefte valt geheel samen, dan wordt het PGB lokaal vervoer beperkt tot maximaal 1500 kilometer gezamenlijk. Als de behoefte gedeeltelijk samenvalt, zal nader worden bepaald welk deel samenvalt en voor welk deel een aanvulling in het aantal kilometers noodzakelijk is. e. autoaanpassing: Indien de bewoner aangewezen is op een eigen auto als vervoersmiddel én er als gevolg van de beperking van de bewoner een autoaanpassing naar het oordeel van de gemeente noodzakelijk is, kan deze als voorziening verstrekt worden. Een autoaanpassing wordt niet preventief verstrekt. Om te bepalen of de bewoner in aanmerking komt voor een autoaanpassing, worden de volgende aspecten gewogen: I. Het gebruik van de eigen auto is nodig voor het zich verplaatsen binnen de leefomgeving en collectief lokaal vervoer is geen passende oplossing. II. De bewoner of ouder/verzorger van een jeugdige waar de autoaanpassing voor bestemd is, is eigenaar en/of bestuurder van de auto. III. Er is sprake van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden. IV. Een autoaanpassing is de goedkoopst adequate oplossing. V. De te maken kosten van de autoaanpassing zijn in relatie tot de geldigheidsduur van het rijbewijs, de verwachte levensduur en technische staat van de auto nog verantwoord. Indien een auto ouder is dan acht jaar en er meer dan 75.000 kilometer mee is gereden, is een technische keuring van de auto door een onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) nodig om te kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is. VI. Algemeen gebruikelijke autoaanpassingen: Een aantal autoaanpassingen zijn algemeen gebruikelijk, zoals stuurbekrachtiging, rembekrachtiging, automatische versnelling, een auto met hoge instap, een (verstelbare) autostoel met een goed zitcomfort en/of zithouding. Van de bewoner wordt verwacht dat bij de aanschaf van een auto rekening heeft gehouden met de op dat moment aanwezige of voorzienbare beperkingen en daarbij voldoende aandacht heeft besteed aan de genoemde algemeen gebruikelijke mogelijkheden. VII. De afstand van het vervoer. De gemeente heeft een compensatieplicht voor een afstand conform het lokaal collectief vervoer (25 km vanaf de woning). Indien de bewoner als gevolg van zijn beperking pas klachten krijgt na het rijden van langere afstanden, wordt hiervoor geen voorziening verstrekt.

Rechtspraak bij dit artikel