Lid 1
Voor het heen en weer reizen tussen woning en plaats van tewerkstelling met de eigen auto heeft de ambtenaar gedurende 11 maanden per jaar recht op een tegemoetkoming in de reiskosten als bedoeld in artikel 1, tweede lid. De hoogte van de tegemoetkoming wordt op 1 januari van het kalenderjaar vastgesteld, en, ingeval van indiensttreding in de loop van het jaar, op het tijdstip van indiensttreding. De tegemoetkoming wordt maandelijks uitbetaald.
Lid 2
Indien de ambtenaar op minder dan 5 dagen per week heen en weer reist tussen zijn woning en de plaats van tewerkstelling met de eigen auto, wordt het bedrag van de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1, tweede lid, vastgesteld naar rato van het aantal dagen dat de ambtenaar per week reist.
Lid 3
Indien de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1, tweede lid, minder zou bedragen dan € 5 per maand wordt deze niet uitbetaald.
Lid 4
Bij afwezigheid wegens ziekte wordt de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1, tweede lid, doorbetaald tot de eerste dag van de tweede maand, volgende op de maand waarin de ambtenaar ziek is geworden.
Lid 5
Bij onderbreking van de ziekteperiode van minder dan 5 aaneengesloten arbeidsdagen telt de in lid 4 genoemde termijn gewoon door.
Lid 6
Bij afwezigheid wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof, voltijds ouderschapsverlof, buitengewoon verlof en onbetaald verlof wordt de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1, tweede lid, doorbetaald tot de eerste dag van de eerste maand, volgend op de maand dat de ambtenaar met verlof is gegaan.
Lid 7
Bij uitdiensttreding wordt de vergoeding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, met ingang van de eerste dag van de eerste maand volgend op de maand dat de ambtenaar uit dienst is gegaan, naar evenredigheid verminderd en met het nettoloon verrekend.