De raad stelt tenminste twaalf weken voor het te houden referendum aan de hand van het bepaalde in deze verordening en gelet op het advies van de commissie de datum en de formulering van de vraagstelling van het te houden referendum vast.
In het referendum wordt van de stemgerechtigden een oordeel gevraagd over het voorgenomen besluit van de raad als bedoeld in artikel 9.
De raad kan bepalen op welke wijze gestemd wordt.
Uiterlijk zes weken voor de datum waarop het referendum wordt gehouden worden alle relevante stukken ter inzage gelegd op een aantal door het college te bepalen plaatsen.