De vergunning wordt verleend aan diegene, die overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van deze verordening een aanvraag heeft ingediend.
De vergunning wordt verleend indien er geen sprake is van de in artikel 5 genoemde weigeringsgronden.
Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
De vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd:
a.indien ter verkrijging daarvan onjuiste gegevens zijn verstrekt;
b.indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming, waarvoor de vergunning is vereist;
c.indien de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d.indien de houder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt.
Een vergunning als bedoeld onder lid 1 van dit artikel komt van rechtswege te vervallen, indien binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden daarvan geen of geen volledig gebruik is gemaakt.