**1..** Deze verordening kan worden aangehaald als ’Verordening Hondenbelasting 2018’.
Toelichting op de verordening hondenbelasting
A. Algemeen
1 Wettelijke basis
De verordening hondenbelasting is gebaseerd op de tekst van de Gemeentewet zoals die luidt vanaf 1 januari 1995.
B .Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1 Belastbaar feit
Voor de omschrijving van het belastbare feit is aansluiting gezocht bij de tekst van artikel 226 van de Gemeentewet. Er wordt een belasting geheven ter zake van het houden van een hond binnen de gemeente.
De hondenbelasting is aangemerkt als directe belasting. Deze aanwijzing is noodzakelijk om toepassing van artikel 31 e.v. van de AWR betreffende de richtige heffing mogelijk te maken.
Artikel 2 Belastingplicht
Eerste lid
Belastingplichtig is de houder van een hond. Het begrip "houder van de hond" wordt als volgt gedefinieerd: "houder is degene die een hond bezit, verzorgd of onder toezicht heeft".
Tweede lid
Ingevolge het tweede lid van artikel 2 wordt als houder aangemerkt, degene die onder welke titel dan ook een hond onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is. Het is niet vereist dat de houder tevens eigenaar is. Wel is het noodzakelijk dat de hond duurzaam wordt gehouden.
Derde lid
Het komt regelmatig voor dat honden worden gehouden door leden van een huishouden waarbij niet steeds bij voorbaat duidelijk is wie als houder van de hond moet worden aangemerkt. Met name in dat soort situaties voorziet het derde lid van artikel 2, welk artikel is gebaseerd op artikel 226, derde lid, van de Gemeentewet. Doel hiervan is te voorkomen dat een progressieve tariefstelling wordt ontlopen, door te stellen dat een ander lid van het huishouden houder van de hond is.
Nu de gemeente de vrijheid heeft in de keuze van een belastingplichtige, zal het college van burgemeester en wethouders, op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, bij de keuze moeten handelen op basis van een beleid. De beleidsregels moeten bovendien worden bekendgemaakt zodat ze voor belastingplichtigen kenbaar zijn.
Artikel 3 Vrijstellingen
In de onderdelen a en b zijn vrijstellingen opgenomen voor blindengeleidehonden en geleidehonden voor gehandicapten en voor een hond in opleiding die bij een gastgezin verblijft.
De vrijstelling voor honden die in een hondenasiel verblijven worden is alleen van toepassing als de eigenaar van het asiel in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de dierenbescherming (onderdeel c). Uit dat artikel volgt dat het verboden is zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders als bedrijf uit te oefenen het kopen, ten verkoop voorradig hebben, verkopen, in bewaring nemen, africhten of doden van honden. In onderdeel e is een vrijstelling opgenomen voor jonge honden die tezamen met de moederhond worden gehouden.
Artikel 4 Maatstaf van heffing
In artikel 226, tweede lid, van de Gemeentewet is vermeld dat de hondenbelasting wordt geheven naar het aantal honden. In de verordening is daarom als maatstaf van heffing opgenomen het aantal honden.
Artikel 5 Belastingtarief
Eerste lid
In artikel 5, eerste lid, is gekozen voor een omschrijving waarbij problemen bij het verlenen van ontheffing zoveel mogelijk kunnen worden voorkomen. Het artikel gaat uit van het aantal honden dat wordt gehouden, zonder dat wordt aangegeven welk belastingbedrag voor welke individuele hond geldt. De belasting wordt geheven voor een eerste hond, een tweede hond of voor iedere hond boven het aantal van twee. Op deze wijze wordt voorkomen dat met de belastingplichtige, die meer dan één hond houdt, problemen kunnen ontstaan over de hoogte van de te verlenen ontheffing. Bij vermindering van het aantal zal steeds eerst ontheffing moeten worden verleend voor het hoogste van toepassing zijnde tarief.
Tweede en derde lid
Voor honden gehouden in een kennel, geregistreerd bij de Raad van beheer op kynologisch gebied in Nederland, dan wel verblijvend bij een handelaar, is gekozen voor een vast bedrag per kennel, respectievelijk per handelaar.
Deze keuze is ingegeven uit praktische overwegingen, omdat de vaststelling van het juiste aantal honden, in verband met sterke fluctuaties moeilijk is.
Artikel 6 Belastingjaar
In de verordening is gekozen voor een belastingjaar dat gelijk is aan het kalenderjaar.
Artikel 7 Wijze van heffing
Gekozen is voor de techniek van heffing bij wege van aanslag. Aan het opleggen van een aanslag kan de uitreiking van een aangiftebiljet voorafgaan, doch noodzakelijk is dat niet. Het aangiftebiljet is niet meer dan een hulpmiddel bij het vaststellen van de aanslag. Bij de constatering
van belastingplicht, bijvoorbeeld naar aanleiding van een controle, kan ambtshalve een aanslag worden vastgesteld.
Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
Eerste lid
Blijkens de redactie van het eerste lid wordt de belasting verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of het begin van de belastingplicht, zo dit later is.
Tweede en derde lid
In de leden twee en drie zijn regels gegeven die betrekking hebben op wijzigingen gedurende het kalenderjaar in de belastingplicht of in de omvang van de belastingschuld. Deze wijzigingen zullen aan de gemeente ter kennis moeten worden gebracht door middel van de aangifte voorgeschreven in artikel 7. In de verordening is gekozen voor een tijdsevenredige herleiding per maand, waarbij gedeelten van een maand niet worden meegerekend.
Vijfde lid
Het vijfde lid biedt de mogelijkheid tot het opnemen van een minimumbedrag met betrekking tot de heffing. Indien het belastingbedrag minder beloopt dan het in dit artikellid ingevulde bedrag, dan wordt dit bedrag niet geheven. Hier is sprake van een efficiencybepaling.
Artikel 9 Termijn van betaling
In dit artikel is een afwijking van de wettelijke betalingstermijn opgenomen. Afhankelijk van de hoogte van het totaal bedrag op het aanslagbiljet gelden verschillende betalingstermijnen. Automatische incasso is mogelijk voor alle bedragen ongeacht de hoogte van de aanslag. Betaling in tien gelijke termijnen is alleen mogelijk in geval van automatische incasso voor bedragen hoger dan € 100,- en lager dan € 5000,-.
Artikel 10 kwijtschelding
Bij de invordering van hondenbelasting wordt slechts kwijtschelding verleend bij de eerste hond. Bij de invordering van hondenbelasting voor de tweede en volgende hond wordt echter geen kwijtschelding verleend. Er is gekozen voor een kwijtscheldingsnorm van 100% van de normuitkering als bedoeld in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990.
Artikel 11 Nadere regels
In de modelregeling zijn regels gesteld m.b.t.:
-de verplichting te verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet;
-de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen;
-berekenen van invorderingsrente.
Het college van burgemeester en wethouders heeft in een regeling gemeentelijke belastingen de formele bepalingen over de heffing en de invordering vermeld.
Artikel 12 Overgangsbepaling,
Artikel 12 regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van de datum van ingang van de heffing. De oude verordening blijft van toepassing op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Voor die belastbare feiten blijft heffing dus mogelijk op basis van de oude verordening, ook al is die verordening ingetrokken.
Artikel 13 Inwerkingtreding en ingang van heffing
Ingevolge artikel 139 van de Gemeentewet moet de gemeente het besluit tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van belastingverordeningen bekend maken. Bekendmaking geschiedt door middel van publicatie in het Gemeenteblad. Het Gemeenteblad moet elektronisch worden uitgegeven. Dit gebeurt op www.Overheid.nl. De dag van bekendmaking is de dag van publicatie op www.Overheid.nl . Dit is de datum waarop de tekst van de verordening daadwerkelijk beschikbaar is voor de burger. De datum van inwerkingtreding van de heffing is vastgelegd in het tweede lid van artikel 13.
Artikel 14 Citeertitel
In artikel 14 is in de citeertitel een jaartal genoemd
Artikel 14
Citeertitel
Onderdeel van Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Nijmegen houdende heffingen Verordening Hondenbelasting 2018