De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomtig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon bij de centrale computer registreren van de parkeerbeweging.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd bij aanvraag van de parkeervergunning
Een naheffingsaanslag moet direct worden betaald.
Artikel 7
Ontstaan van de belastingschuld en termijnen van betaling
Onderdeel van Raadsbesluit Parkeerbelastingverordening 2018