Naar hoofdinhoud
1.. Het (doen) plaatsen, aanbrengen, herstellen, vernieuwen of verwijderen van de grafbedekking geschiedt door, voor rekening van en voor risico van de rechthebbende. De grafbedekking blijft gedurende de grafrechttermijn eigendom van de rechthebbende. 2.. De rechthebbende is verplicht de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen. 3.. Indien door een ondeugdelijk geworden constructie van de grafbedekking een situatie is ontstaan die gevaar voor – en schade aan – derden oplevert, kan het college direct maatregelen nemen, zonder de rechthebbende daarvan vooraf in kennis te stellen. 4.. In geval van verwaarlozing van het onderhoud van een particulier graf, kan het college deze verwaarlozing in een schriftelijke verklaring vastleggen en toezenden aan de rechthebbende, die de ontvangst van de bedoelde verklaring bevestigd en binnen één jaar na ontvangst in het onderhoud voorziet. 5.. Indien de ontvangst van de verklaring, bedoeld in het vierde lid, niet bevestigd wordt, maakt het college de verklaring bekend bij het graf en bij de ingang van de begraafplaats gedurende een periode van vijf jaar dan wel totdat in die periode in het onderhoud is voorzien. 6.. Indien toepassing is gegeven aan het vierde en vijfde lid en niet alsnog in het onderhoud van het graf is voorzien, vervalt het grafrecht op het moment dat de periode van één dan wel vijf jaar, bedoeld in het vierde, respectievelijk vijfde lid, is verstreken. 7.. Indien het grafrecht nog geen tien jaar is gevestigd op het moment dat de periode, bedoeld in het vijfde lid is verstreken, blijft de bekendmaking in stand totdat de periode van tien jaar is verstreken dan wel totdat in die periode in het onderhoud is voorzien. Indien niet voordien in het onderhoud van het graf is voorzien, vervalt het grafrecht zodra een termijn van tien jaar is verstreken.

Rechtspraak bij dit artikel