Naar hoofdinhoud

Artikel 16.

Bijdrage in de kosten (Wmo 2015)

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Heumen 2018

Een cliënt is in het kader van de Wmo 2015 een bijdrage in de kosten verschuldigd: voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning, als de aanbieder, of de gemeente, die bijdrage vraagt; voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel een pgb, tenzij de specifieke voorziening is uitgezonderd. Voor bepaalde groepen personen kan op de bijdrage voor een algemene voorziening een korting gelden. Bij de algemene voorziening van eenvoudige huishoudelijk kan het uurtarief gedifferentieerd worden verlaagd als volgt: Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor het gebruik van de algemene voorziening van eenvoudige huishoudelijke hulp (HH1) van maximaal € 12,50 per uur; De maximale bijdrage in de kosten, genoemd in art.2a, wordt verlaagd met € 10,00 per uur, voor cliënten met een inkomen tot 110% van het wettelijk minimumloon tot maximaal € 2,50 per uur; De maximale bijdrage in de kosten, genoemd in art.2a, wordt verlaagd met € 7,50 per uur, voor cliënten met een inkomen tussen de 110% en 130% van het wettelijk minimumloon tot maximaal € 5,00 per uur. De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de voorziening. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald: door een aanbesteding; na een consultatie in de markt, of in overleg met de aanbieder. In de financiële bijlage bij deze verordening wordt de omvang van de bijdrage in de kosten bepaald met inachtneming van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Het college kan de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor maatschappelijke opvang mandateren aan de aanbieder die de opvang verzorgt. Als een maatwerkvoorziening in natura of een pgb wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd door: de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene aan wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage verschuldigd als de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de vaststelling van de bijdrage in de kosten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel