In deze verordening wordt verstaan onder:
Veehouderij: inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren;
Wet: de Wet geurhinder en veehouderij;
Geurgevoelig object: zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij;
Melkveehouderij van beperkte omvang: een veehouderij waar 200 of minder stuks melkrundvee (exclusief het bijbehorend jongvee) worden gehouden of kunnen worden gehouden;
Melkveehouderij van zeer beperkte omvang: een veehouderij waar minder dan 50 stuks melkrundvee (exclusief het bijbehorend jongvee) worden gehouden of kunnen worden gehouden;
Extensieve veehouderij: een veehouderij waar landbouwhuisdieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld (zoals melkrundvee, paarden, pony’s en schapen) en waar niet meer dan 50 dieren (exclusief het bijbehorend jongvee) worden gehouden;
Paardenhouderij van beperkte omvang: een paardenhouderij waar niet meer dan 25 paarden worden gehouden;
Bestaande veehouderij: een veehouderij als bedoeld onder D, E, F of G in dit artikel en artikel 3 en artikel 4 van deze verordening, die legaal aanwezig was en onder D, E, F of G bedoelde soort dieren hield op het moment van vaststelling van deze geurverordening.
Gemengd gebied: een gebied met een matige tot sterke functiemenging zoals bedoeld in de VNG brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009).