4a. Melding hulpvraag
**1..** Een hulpvraag kan door of namens de cliënt bij het college worden gemeld.
**2..** Het college bevestigt de ontvangst van een melding. Bij een schriftelijke melding gebeurt dit schriftelijk.
**3..** In spoedeisende gevallen treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, dan wel treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet.
4b. Cliëntondersteuning
**1..** Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.
**2..** Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.
** 3. .** De ingezetene altijd de keuzevrijheid heeft zich te laten ondersteunen door een professional of vrijwilliger.
4c. Vooronderzoek
**1..** Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en neemt binnen 5 werkdagen met hem contact op.
**2..** Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover deze redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.
**3..** Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.
**4..** Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om met een eigen plan te komen, inclusief ideeën voor de behandeling, en stelt deze in de gelegenheid het plan te overhandigen. Tevens wordt de cliënt geïnformeerd over de mogelijkheid om bij het opstellen van het plan ondersteuning te krijgen.
4d. Gesprek
**1..** Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:
de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag;
het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;
het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden, waarbij de jeugdige en zijn ouders gestimuleerd worden om een familiegroepsplan op te stellen.
de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;
de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een algemene voorziening;
de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken.
de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een PGB, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.
**2..** Het college informeert de cliënt over een eventuele eigen bijdrage of ouderbijdrage.
**3..** Als de cliënt een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek.
**4..** Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.
**5..** Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.
4e. Verslag
**•.** De cliënt ontvangt een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Indien aanwezig is het familiegroepsplan hiervan onderdeel.
**•.** Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt over dit verslag zullen als bijlage aan het verslag worden toegevoegd.
4f. Aanvraag
**1..** Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college.
**2..** Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven.
**3..** Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een individuele voorziening.
4g. Criteria voor een individuele voorziening, afwegingskader
Het college neemt het verslag van het onderzoek als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een individuele voorziening.
Een cliënt komt in aanmerking voor een individuele voorziening ter compensatie van de problemen die zich kunnen voordoen bij jeugdigen,
indien andere mogelijkheden om het opvoed- of opgroeiprobleem op te lossen of draagbaar te maken voor de jeugdige en zijn omgeving, zijn uitgeput. Deze problemen kunnen zich voordoen ten gevolge van (vermoedelijke) onveiligheid, of een (vermoedelijke) psychische stoornis, of een licht verstandelijke beperking;
indien het eigen netwerk en de cliënt instemt met de individuele voorziening. In uitzonderlijke gevallen kan de individuele voorziening beargumenteerd zonder die instemming worden ingezet;
indien er sprake is van een (wettelijk vereist) hulpplan waarvan de doelen en duur bij alle betrokkenen bekend zijn. Onderdeel van dit hulpplan is een plan van aanpak voor na het hulptraject (nazorg-plan). Data voor start en einde zorg zijn duidelijk voor de cliënt.
Een individuele voorziening wordt ook ingezet als er sprake is van een acute onveilige situatie, of wanneer de jeugdige naar inzicht van het College ernstig in zijn/haar ontwikkeling wordt bedreigd.
Een individuele voorziening kan tevens worden ingezet als onderdeel van een jeugdbeschermingsmaatregel door een daartoe gecertificeerde instelling als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Jeugdwet.
Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.